De Biltse zedenzaak: Potentiële broedplaats voor pseudo-herinneringen

Op woensdag 16 augustus 2017 bracht het OM naar buiten dat de politie in het weekend daarvoor een 27-jarige pedagogisch medewerker van een buitenschoolse opvang in De Bilt had aangehouden. De medewerker zou onzedelijke handelingen bij zich hebben laten verrichten door twee zusjes. De verdachte bekende. De twee meisjes hadden hun ouders spontaan over de ontuchtige handelingen van de medewerker verteld, waarna de ouders aangifte hadden gedaan. Een duidelijke zaak, zou je zeggen. Wat na de bekentenis echter plaatsvond, kan een fnuikende werking op het geheugen van kinderen hebben.

In de avond van 16 augustus werden alle ouders met kinderen op de groepen waar de verdachte werkte, op de hoogte gesteld van de situatie. Er werd een bijeenkomst georganiseerd door het kinderopvangcentrum waarbij ouders informatie ontvingen over de situatie. Daarbij waren ook de politie, de GGD en het Openbaar Ministerie aanwezig. Kort daarna, op 23 augustus, kwamen er in de media berichten dat de politie naar aanleiding van de bijeenkomst nieuwe meldingen ontvangen had van andere situaties waarin mogelijk eerder misbruik heeft plaatsgevonden. Dit resulteerde in enkele nieuwe aangiften van vergelijkbare feiten. Het is bij deze nieuwe aangiften maar zeer de vraag of deze ‘spontaan’’ tot stand zijn gekomen. Het belang hiervan is groot gezien het feit dat spontane mededelingen van kinderen vaker op waarheid berusten dan niet-spontane.

De Nederlandse politie heeft een traditie van het organiseren van bijeenkomsten met ouders na aangiften van seksueel misbruik in de kinderopvang of op scholen. Een geruchtmakende zaak is die van de Da Vinci school in Zoetermeer. In de Da Vinci zaak werd na de aangifte van één kind een informatiebrief aan alle ouders van de school gestuurd. Dit leidde uiteindelijk tot aangiften van seksueel misbruik en kindermishandeling van 20 kinderen. De herinneringen van deze kinderen waren soms ronduit bizar, zoals een kind dat beweerde dat er bij het misbruik een stuk van zijn penis was afgesneden en andere kinderen die zich herinnerden dat ze naar het huis van een van de leerkrachten werden gebracht waar ze naar krokodillen moesten kijken. De gevaren van dergelijke bijeenkomsten en van het versturen van informatiebrieven aan ouders zijn inmiddels genoegzaam bekend. Ouders raken door dergelijke bijeenkomsten gealarmeerd en zullen –met de beste intenties – geneigd zijn om hun kinderen suggestieve vragen te gaan stellen, in de veronderstelling dat ze daarmee hun kinderen helpen. Jonge kinderen zijn echter zeer vatbaar voor suggestie. Nepherinneringen of pseudo-herinneringen aan misbruik liggen dan op de loer.

Zo voerde een van ons (Otgaar) een reeks experimenten uit waarbij kinderen gesuggereerd werd dat zij niet-meegemaakte gebeurtenissen hadden ervaren in hun kindertijd. Een treffend voorbeeld is het onderzoek waarbij kinderen wijs gemaakt werd dat zij op jongere leeftijd waren ontvoerd door een UFO. In dergelijke studies is gebleken dat zo’n 40% van de kinderen na twee weken claimt zich zulke nep-gebeurtenissen te herinneren en zelfs met extra details over de gebeurtenis op de proppen komt. Bij sommige van de kinderen zijn deze nep-herinneringen zo hardnekkig dat zij zich jaren later nog steeds zulke fictieve gebeurtenissen herinneren. Het is dus niet ondenkbaar dat in de huidige zaak vanwege een cocktail van geruchten, suggestieve vragen van ouders en alarmerende berichten in de media, pseudo-herinneringen aan seksueel misbruik in de hoofden van jonge kinderen zijn ontstaan.

Het ontstaan van pseudo-herinneringen aan trauma is minder onschuldig dan het lijkt. Zo toonde de Amerikaanse psycholoog Richard McNally van Harvard University aan dat mensen die herinneringen hadden dat ze in het verleden waren ontvoerd door aliens fysiologische stressreacties lieten zien (bijv. stijging van de hartslag, meer zweten) die vergelijkbaar waren met die van mensen met een posttraumatische stress stoornis (bijv. oorlogsveteranen, brandweerlieden). Je hoeft dus niet eens een écht trauma te hebben meegemaakt, om vergelijkbare “symptomen” te ontwikkelen. Geen enkele ouder zal willen dat zijn of haar kind ten onrechte gelooft en zich herinnert misbruikt te zijn, zeker niet als dit mogelijk kan leiden tot vergelijkbare emotionele en lichamelijke klachten als een echt trauma.

Het houden van informatiebijeenkomsten voor ouders klinkt als een goede zet van de kinderopvang en de politie. De politie zou er echter verstandig aan doen in dit type zedenzaken haar recherchewerk in de luwte te doen. Zolang er geen aanwijzingen zijn van misbruik van andere kinderen zouden zulke bijeenkomsten niet georganiseerd moeten worden. De verdachte medewerker is gevangen gezet, dus levert geen risico meer op voor andere kinderen. De reden van het plotselinge vertrek van de medewerker kan op een later tijdstip gegeven worden door de kinderopvang, als er meer duidelijkheid is over de omvang van het misbruik.

Opiniestuk geschreven door Corine de Ruiter, Henry Otgaar en Linsey Raymaekers. Een aangepaste versie is op 5 september 2017 verschenen in het Nederlands Dagblad.

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Een reactie op De Biltse zedenzaak: Potentiële broedplaats voor pseudo-herinneringen

  1. Pingback: De linke weekendbijlage (35-2017)

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s