Het NIP versus De Ruiter: Waarom artikel 111.3.3.16 nogal mal is

Bij slachtoffers van geweld horen daders. Dat is uit de aard der zaak het geval. En daarom: een getuige-deskundige die in zijn rapport uitweidt over slachtoffers, heeft het automatisch ook over daders. Zoiets doet zich voor als kinderen thuis worden mishandeld, en de getuige-deskundige de rechter moet adviseren over wat er aan de hand is. Zoiets doet zich eveneens voor als de verdachte ook slachtoffer was en de rechter of de verdediging wil weten in welke mate dat de schuldvraag in een ander daglicht plaatst.

Wie beweert dat slachtoffers niet bij de naam genoemd mogen worden, omdat anders de presumptie van onschuld in het geding is, begaat een denkfout. Die werd door niemand beter getypeerd dan de Tilburgse juristen Groenhuijsen en Letschert, die er dit over opmerkten:

 “De presumptio innocentiae brengt met zich mee dat een verdachte juridisch voor onschuldig moet worden gehouden totdat hij bij rechterlijk gewijsde schuldig is bevonden. Daar valt niets op af te dingen. Maar het is een ernstige denkfout om hieruit spiegelbeeldig af te leiden dat een slachtoffer pas de status van slachtoffer krijgt dóór zo’n (onherroepelijke) veroordeling van de dader. Met andere woorden: uit het onschuldvermoeden volgt allerminst dat het slachtoffer als een soort ‘vermoedelijk slachtoffer’ moet worden beschouwd totdat er een bewezenverklaring is.”

De getuige-deskundige die het slachtoffer bij de naam noemt, omdat in het strafdossier stukken zitten die consistent in deze richting wijzen, hoeft zo’n vermoedelijke dader niet te spreken. Liever niet zelfs. Hoe zou zo’n gesprek er ook uit moeten zien? Deskundige: “We lazen meerdere getuigenverklaringen waarvan de strekking is dat u uw echtgenote intimideerde, chanteerde en mishandelde en daarvan is ook meermaals aangifte gedaan. Wat is uw kant van het verhaal?” Echtgenoot: “Welnee toch, ik ben de zachtmoedigheid in hoogst eigen persoon. Ik wil dat u dit in uw rapport opschrijft.”

Doen alsof het slachtoffer een slachtoffer zonder dader is, leidt tot enerzijds-anderzijds rapportages. Het is het soort rapportage dat mistigheid in de hand werkt. Het zet aan tot een indolente omgang met zaken waarin huiselijk geweld een sleutelrol speelt. Typerend voor zo’n omgang is dat deskundigen probleemgevallen als hete aardappels doorschuiven. Omdat ze de dingen niet bij de naam durven noemen. Waar dat uiteindelijk toe voert, hebben we in de afgelopen jaren te vaak gedemonstreerd gezien.

Als een deskundige wél man en paard noemt, loopt hij/zij het risico allerlei tuchtrechtelijke bepalingen te overtreden. De recente uitspraak van het College van Toezicht van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) in de zaak die werd aangespannen tegen Corine de Ruiter illustreert het probleem. De Ruiters deskundigenbericht probeerde duidelijk te maken dat de verdachte ook slachtoffer van huiselijk geweld was. En dus ging het over de achtergronden daarvan. En dus ging het ook over die andere partij.

Het College van Toezicht meent dat De Ruiter artikel 111.3.3.16 van de beroepscode van psychologen heeft overtreden. Dat artikel pakt in de forensische context uit als de-andere-partij-moet-wel-eerst-toestemming-geven-hoor-regel. Het College zegt het als volgt: “In dat artikel is bepaald dat een psycholoog bij het uitbrengen van een rapportage geen oordelen of adviezen geeft met betrekking tot een ander dan zijn cliënt. Indien het voor het doel van de rapportage noodzakelijk is over een ander dan de cliënt gegevens te verstrekken dan beperkt de psycholoog zich zo mogelijk tot die gegevens die hij uit eigen waarneming of onderzoek heeft verkregen. Voor het verstrekken van dergelijke gegevens is gerichte toestemming van betrokkene noodzakelijk.”

Onder psychologen die regelmatig als getuige-deskundige optreden, is het College van Toezicht van het NIP een running gag aan het worden. Het geintje dat de ronde doet, is dat je als deskundige pas deugt als je flink op de vingers bent getikt door het College. Ondertussen is de zaak natuurlijk ernstig genoeg. Waar we niet willen eindigen, is dat over een tijdje alleen nog maar enerzijds-anderzijds deskundigen op de been zijn, het soort deskundige dat slachtoffers pas slachtoffers durft te noemen als de dader daarvoor “gerichte toestemming” heeft gegeven. Kunnen we daar eens snel met het NIP over praten?

Harald Merckelbach, Melanie Sauerland, Henry Otgaar en Ewout Meijer

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

5 reacties op Het NIP versus De Ruiter: Waarom artikel 111.3.3.16 nogal mal is

  1. G. Douwes zegt:

    Wat een raar verhaal: dus jullie willen vertellen dat het beter is de potentiële dader niet te spreken omdat hij of zij wel eens ontkennend zou kunnen beantwoorden? Wat is dat voor een bewijsvoering die geen ruimte heeft om te noteren dat één van de betreffende partijen ontkennend antwoordt? Weinig bescheiden stukje van een paar psychologen die eens zouden moeten beseffen dat hun beroepsgroep wel wat minder hoog van de toren mag blazen, er blijkt immers weinig over te blijven van de ‘waarheidsvinding’ van uw beroepsgroep.

  2. T. Rol zegt:

    Om uw eigen grappen lachen is wel een beetje sneu. De humor kan van het geintje zie ik eerlijk gezegd ook niet. Dat u als psycholoog door een beroepsvereniging van psychologen op de vingers getikt wordt, lijkt mij iets om u zorgen over te maken.

    Zorgwekkender nog, is dat u in uw betoog een compleet eigen draai geeft aan wat uw collega verweten wordt. Als u als getuige-deskundige serieus genomen wilt worden, blijf dan wel bij de feiten. Het gaat er namelijk niet om dat een slachtoffer geen slachtoffer genoemd mag worden. Het gaat erom, dat uw collega, mensen die zij nooit gezien, gesproken en onderzocht heeft, psychopaat en psychotisch noemt.

  3. umtrol zegt:

    Helaas zijn de reacties onder het blog van mevrouw de Ruiter (Een berisping op basis van een krantenbericht en een proces-verbaal van een rechtszitting) verwijderd. Aangezien ik mij in mijn reactie ook tot haar collega’s richt, herhaal ik het hier nog een keer.

    Mevrouw de Ruiter, waarom schrijft u de term getuige-deskundige als getuigedeskundige? Is het om te verbloemen, dat u tijdens een rechtszaak als getuige optreedt? Zoals u zelf aangeeft brengt het woord [getuige] met zich mee, dat u eraan gehouden bent – middels een eed of belofte – “naar waarheid, volledig, en naar beste inzicht verslag uit te brengen”. Wellicht dat de laatste eis uw redding kan betekenen. Waarom geeft u niet ruiterlijk toe dat uw inzicht te wensen overlaat?

    In het artikel in NRC-Handelsblad, dat u aanhaalt, lees ik dat u het gedrag van mevrouw S. toeschrijft aan de gevolgen van PTSS. Ik ben benieuwd hoe uw Maastrichtse collega’s daar over denken, met name de heer Merckelbach. Het gegeven dat mevrouw S. voldoende bij haar verstand was om miljoenen euros achterover te drukken, een zeer complexe cognitieve taak, maar zich daar tijdens de rechtszaak weinig meer van kan herinneren, lijkt mij iets waar u als forensisch psychologen en getuige-deskundigen juist sceptisch over moeten zijn.

  4. umtrol zegt:

    Meneer Merckelbach, ik begrijp niet goed waar uw dedain voor enerzijds-anderzijds deskundigen vandaan komt. U eindigt de eerste alinea van uw blog met de zin: “Zoiets doet zich eveneens voor als de verdachte ook slachtoffer was en de rechter of de verdediging wil weten in welke mate dat de schuldvraag in een ander daglicht plaatst.” Als een verdachte ook slachtoffer is, dan komt men toch automatisch uit bij een enerzijds-anderzijds redenering?

    Als de rechter wil weten in welke mate het slachtofferschap van de verdachte de schuldvraag in een ander daglicht plaatst, dan vraagt hij om een nuancering. Dan zou de forensisch psycholoog zoiets kunnen zeggen als: Enerzijds, de verdachte had het waarschijnlijk niet gedaan als zij niet mishandeld en onder druk gezet werd. Echter, anderzijds, is het niet aannemelijk dat zij volledig willoos was, er stonden haar (zeker voor iemand die rechten gestudeerd heeft) andere keuzeopties ter beschikking.

  5. umtrol zegt:

    Mevrouw de Ruiter, realiseert u zich dat het onderscheid dat u maakt tussen forensische psychologie en andere richtingen binnen de psychologie vals is? Op de eerste pagina van de richtlijnen voor forensisch psychologen (http://www.apa.org/practice/guidelines/forensic-psychology.pdf) die u aanhaalt, staat namelijk: “forensic psychology refers to professional practice by any psychologist working within any subdiscipline of psychology (e.g., clinical, developmental, social, cognitive) when applying the scientific, technical, or specialized knowledge of psychology to the law […]”. Uw bewering dat forensisch psychologen andere testmethoden en instrumenten gebruiken en op een andere wijze verantwoording afleggen dan andere psychologen is daarom bedenkelijk.

    De manier waarop u de Psychopathy Checklist-Revised (PCL-R) gebruikt en de manier waarop u daar verantwoording over aflegt, is een goede aanleiding om dieper op deze kwestie in te gaan. Ik gebruik daarvoor de richtlijnen van de APA.

    Richtlijn 1.01: “Integrity” wijst erop dat u geen diensten moet verlenen die misleidend of inaccuraat zijn. Als u als hoogleraar forensische psychologie getuigt dat iemand psychopatische trekken vertoont, dan zal een leek snel de conclusie trekken dat u van mening bent dat die persoon psychopatisch is. Uw getuigenis is daarom misleidend. Hieronder leg ik uit, dat uw getuigenis ook inaccuraat is.

    Richtlijn 2.05: “Knowledge of the Scientific Foundation for Opinions and Testimony” wijst erop, dat uw mening en getuigenis op een goede wetenschappelijke basis gestoeld moet zijn. Om aan die eis te voldoen, moet u de gebruikte methodes goed toepassen en zo nodig de tekortkomingen in de methodes aangeven. Welke wetenschappelijke basis is er om te getuigen dat u twee “psychopatische trekken” bij iemand ontwaart? Mijns inziens, geen. Het gegeven dat de twee trekken die u noemt niet op de PCL-R staan, is niet eens zo erg. Het gegeven dat het er maar twee zijn, is dat wel. De PCL-R is een lijst met twintig kenmerken die elk met 0, 1, of 2 gescoord worden en bij een score van 30 of hoger de diagnose psychopathie kan ondersteunen. Op basis van de informatie die u verschaft, ligt de score van de persoon waar u over spreekt tussen 2 en 4. Een dergelijke score is juist een sterke contra-indicatie voor de diagnose psychopathie.

    Richtlijn 4.02.02 (een van de weinige richtlijnen die direct ingaat op de spanning tussen de therapeutische en forensische rol) wijst erop dat er van forensisch psychologen geen klinisch oordeel gevraagd wordt (zie ook richtlijn 10.01: “Focus on legally relevant factors”). Een inschatting van bijvoorbeeld iemands toerekeningsvatbaarheid kan wel gevraagd worden. Hoe u zo’n inschatting zonder klinische terminologie zou kunnen verwoorden, kunt u lezen in mijn laatste reactie op de heer Merckelbach.

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s