Een berisping op basis van een krantenbericht en een proces-verbaal van een rechtszitting

FOR THE ENGLISH VERSION OF THIS BLOG, SEE BELOW.

Het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) heeft mij berispt op basis van een  krantenartikel en een proces-verbaal van een rechtszitting die op 24 juli 2014 plaatsvond in de Rechtbank Den Haag. De teksten van de journaliste en die van de griffier van de rechtbank zijn onvolledig en op een aantal belangrijke punten feitelijk onjuist. Het NIP beschikt niet over mijn forensische rapportage waarin mijn onderzoeksbevindingen uitgebreid onderbouwd zijn met forensisch diagnostisch onderzoek, met dossier-informatie (1500 pagina’s), met getuigenverklaringen en met verwijzingen naar de wetenschappelijke literatuur. In deze blog ga ik in op de zaak.

NRC artikel “Het geheugen van S. is nagenoeg verdwenen

Het NIP heeft mij mede berispt op basis van het krantenbericht “Het geheugen van S. is nagenoeg verdwenen“ uit NRC Handelsblad van 25 juli 2014 van Evy van der Sanden, die bij de rechtszitting op 24 juli aanwezig was. Het is relevant hier te vermelden dat Evy van der Sanden voorafgaand aan publicatie geen contact met mij gehad heeft om haar beweringen te toetsen. De feitelijke onjuistheden in het NRC artikel vallen dus niet onder mijn verantwoordelijkheid.

fragment uit NRC artikel

fragment uit NRC artikel

  1. Van der Sanden schrijft: “De verdediging schetste een beeld van een vrouw die niet meer vrijwillig handelde, omdat ze geterroriseerd werd door haar man Jos van Hal. Dat beeld berustte op verklaringen van vooral de Ruiter en S.”  De laatste zin is in strijd met de waarheid. Er zijn in het gerechtelijk vooronderzoek in de zaak tegen S. op zijn minst vier ooggetuigen gehoord, die verklaard hebben over concrete gewelddadige handelingen van de man van mevrouw S. Deze getuigenverklaringen bevinden zich in het strafdossier dat ik tot mijn beschikking had bij mijn onderzoek en dat ook de rechtbank in bezit heeft. Het strafdossier bevat tevens medische letsel-informatie die nauw aansluit bij het door de getuigen gerapporteerde geweld. In verband met de privacy kan ik niet uit het dossier citeren, maar ik wil hier wel vermelden dat het zeer serieus geweld betreft.
  2. Van der Sanden schrijft vervolgens dat ik in de rechtszaal beweerd heb dat Van Hal “psychopathisch was.” In antwoord op vragen van de rechtbank heb ik aangegeven dat op basis van alle informatie uit het dossier het beeld ontstaat van een man met een aantal psychopathische trekken. Meer specifiek heb ik er twee genoemd: een gebrekkige woedebeheersing en een behoefte aan status in de vorm van geld en dure spullen. Ik heb niet gezegd dat Van Hal de diagnose psychopathie heeft. Ik verwees in mijn verklaring bij de rechtbank naar persoonlijkheidskenmerken zoals die binnen de forensische diagnostiek worden vastgesteld op basis van een specifiek forensisch diagnostisch instrument, de Psychopathie CheckList-Revised. Bij dit forensische instrument weegt de informatie over de onderzochte die van andere bronnen dan de onderzochte zelf afkomstig is, zwaarder dan de informatie van de onderzochte zelf. Dit is overigens een van de belangrijke verschillen tussen forensische en klinisch-therapeutische diagnostiek, waarop ik later nog terug kom.

Het proces-verbaal van de griffier

Het NIP heeft mij eveneens berispt op basis van het proces-verbaal dat de griffier over de terechtzitting van 24 juli 2014 heeft opgemaakt. Ook in dit proces-verbaal staan feitelijke onjuistheden, die noch overeen komen met wat in mijn forensische rapportage staat, noch met wat ik in de rechtszaal heb gezegd. Het proces-verbaal is een grove samenvatting, en geen letterlijke weergave van wat ter zitting verklaard is.

Rechtbank Den Haag

Rechtbank Den Haag

Ten eerste staan de vragen die gesteld zijn aan de getuigedeskundigen (er waren er drie) niet vermeld in het proces-verbaal. Voor een goed begrip van de verklaringen van een getuigedeskundige is het absoluut noodzakelijk dat de context van die verklaringen letterlijk weergegeven wordt. De verklaringen die een getuigedeskundige aflegt bouwen namelijk voort op het strafdossier en op de schriftelijke forensische rapportage. Het is onmogelijk om de verklaringen van een getuigedeskundige in de rechtszaal inhoudelijk te beoordelen zonder kennis te nemen van het strafdossier en de schriftelijke rapportage, en dit is precies wat het NIP wel heeft gedaan.

Ten tweede dient te worden opgemerkt dat in deze specifieke zaak de drie getuigedeskundigen (twee door de rechtbank benoemde, en ik) die ter zitting gehoord zijn, niet elk afzonderlijk maar tegelijkertijd gehoord zijn. Wij zaten op een rij, en de vragen van de Officier van Justitie en de rechtbank werden meestal aan een van de deskundigen gesteld, waarna dezelfde vraag vervolgens aan de volgende deskundige in de rij gesteld werd. Door deze wijze van ondervragen, is het noodzakelijk om de verklaringen van alle deskundigen, conform de tijdlijn waarin zij gedaan werden, weer te geven in het proces-verbaal voor een objectieve weergave van deze verklaringen. Soms heeft een van de deskundigen bijvoorbeeld gerefereerd aan de eerdere verklaringen van een andere deskundige en zich daarbij aangesloten en/of aanvullingen daarop gegeven.

De klacht van de familie Van Hal betreft in het bijzonder pagina 3 van het proces-verbaal waar staat dat ik gezegd heb dat “Van Hal uit een gezin komt met een schizofrene moeder”. Dit is onjuist. In mijn schriftelijke rapportage en ter zitting heb ik verklaard dat de moeder van Van Hal volgens Van Hal zelf schizofreen was, zoals opgetekend uit verklaringen van mevrouw S. en andere getuigen. Hiermee voldoe ik aan de eis van bronvermelding; de rechter weet op deze wijze dat het geen diagnose betreft. Ik heb géén diagnose gesteld met betrekking tot de moeder van Van Hal.

Clash of psychological cultures

Hoe kan het dat het NIP mij, ondanks deze feitelijke onjuistheden, toch heeft berispt? Het NIP schroomt niet om een psycholoog de beroepsethische maat te nemen op basis van een krantenartikel en een rechtbankverslag vol verdraaiingen van de feiten. Jezelf daartegen verweren als forensisch psycholoog, is bijna onmogelijk.

De oorzaak van deze en andere berispingen, ook aan het adres van andere forensische collega’s, ligt echter dieper. De leden van de tuchtcolleges in Nederland zijn onbekend met mijn vak, de forensische psychologie. In tegenstelling met veel andere landen, waaronder Canada, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, wordt deze tak van de psychologie in Nederland niet erkend als specialisme. Een forensisch psycholoog heeft een andere opdracht, gebruikt andere testmethoden en instrumenten, en legt op een andere wijze verantwoording af, dan een psycholoog die iemand diagnosticeert of behandelt in het kader van zorgverlening. De taak van de deskundige in strafzaken is vastgelegd in artikel 51i, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering en wordt in de Memorie van Toelichting omschreven als: “het uitvoeren van een opdracht tot het verstrekken van informatie over de stand van de kennis op zijn vakterrein en tot het verslag doen van zijn verrichtingen…”. Aan de deskundige wordt opgedragen “naar waarheid, volledig, en naar beste inzicht verslag uit te brengen.” De verplichting om naar waarheid te verklaren ziet op de empirische component in het forensisch onderzoek, zoals de resultaten van de verschillende tests en de analyse daarvan.

De getuigedeskundige wordt voordat hij ter zitting gehoord wordt door de rechter mondeling beëdigd. Dit betekent dat hij naar waarheid en naar eer en geweten dient te verklaren over “hetgeen zijn wetenschap hem leert”. De getuigedeskundige is hiermee expliciet in de rol van expert in de rechtszaal aanwezig. Dit wordt ook wel de “forensische rol” genoemd, waarbij het woord forensisch verwijst naar het Romeinse forum, waar in de Oudheid recht gesproken werd. Het onderscheid tussen de psycholoog in de forensische rol en de klinisch-therapeutische rol is cruciaal voor een beoordeling van de kwaliteit van het werk van de forensisch deskundige, omdat de forensische rol strijdig kan zijn met de therapeutische, helpende rol. De Amerikaanse forensisch psycholoog Kirk Heilbrun (2001) formuleerde het zeer expliciet: “Existing principles for therapeutic assessment are not adequate to describe the more specialized activity of forensic assessment” (cursivering in origineel; p. 8-9). Tabel 1 geeft de belangrijkste verschillen weer.

Tabel 1. Verschillen tussen therapeutische en forensische rollen voor psychologen

Therapeutisch Forensisch
Doel Diagnostiek en behandeling Dienen van de waarheidsvinding
Relatie

Onderzoeker-onderzochte

Helpende rol Objectieve of quasi-objectieve houding
Informatie verstrekking Impliciete aanname dat psycholoog

en cliënt hetzelfde doel hebben;

wordt meestal niet expliciet benoemd

Aannames over doel niet noodzakelijk

hetzelfde; wordt formeel en expliciet benoemd

Wie is de cliënt De individuele cliënt/patiënt Wisselend: rechter, advocaat, OM
Bronnen Zelfrapportage, testonderzoek, gedragsobservaties Collaterale bronnen (dossierstukken, gesprekken met belangrijke anderen die de onderzochte goed kennen, etc.), zelfrapportage, testonderzoek,

gedragsobservaties

Antwoordstijl van de onderzochte Wordt als betrouwbaar verondersteld Niet verondersteld betrouwbaar te zijn (noodzaak van onderzoek naar faking good/bad)
Uitleg over de totstandkoming van de conclusies Optioneel Zeer belangrijk
Schriftelijke rapportage Beknopt, concluderende beschrijving Uitgebreid en gedetailleerd; documentatie van bevindingen, gevolgtrekkingen en conclusies
Getuigen in de rechtszaal Niet verwacht Wordt mogelijk gevraagd

Noot. Tabel overgenomen uit Heilbrun, K. (2001), Principles of Forensic Mental Health Assessment, enigszins aangepast aan de Nederlandse context.

Omdat de werkzaamheden van de forensisch psycholoog op belangrijke punten afwijken van die van de psycholoog als zorgverlener, heeft de American Psychological Association, de zusterorganisatie van het NIP, al in 1991 specifieke beroepsethische richtlijnen voor forensisch psychologen opgesteld. Deze richtlijnen zijn in 2013 herzien. In de forensische psychologie is degene die onderzocht wordt niet de cliënt van de psycholoog; de cliënt is de opdrachtgever tot het onderzoek (in Nederland: het OM, de rechter of de verdediging). De persoon die onderzocht wordt heeft ook niet het recht om de forensische rapportage tegen te houden en het beroepsgeheim is beperkt van toepassing. Er moet immers in de (openbare) rechtszaal uitgebreid over de inhoud van de forensische rapportage gesproken kunnen worden, in het belang van de waarheidsvinding. De forensisch psycholoog dient zijn rapportage niet louter te baseren op verklaringen van degene die hij onderzoekt, maar dient gebruik te maken van een veelheid aan collaterale bronnen, omdat alleen op deze manier hetgeen de onderzochte vertelt, geverifieerd kan worden. De onderzochte kan er immers belang bij hebben om zichzelf anders te presenteren dan hij in werkelijkheid is, als hij denkt dat dat ik zijn juridisch belang is.

Het kan in het belang van diezelfde waarheidsvinding noodzakelijk zijn om nader onderzoek te verrichten naar andere personen die indirect of direct in relatie stonden met degene die onderzocht wordt. Dat is bijvoorbeeld het geval als er bij een misdrijf meerdere verdachten zijn betrokken. Om inzicht te verwerven in de persoonlijkheid van een van de verdachten is het dan noodzakelijk om ook kennis te nemen van informatie over de andere betrokken verdachten, om tot een afgewogen oordeel te komen. In de onderhavige casus S. was collaterale informatie over het gedrag van Van Hal noodzakelijk, en deze informatie is door de rechter-commissaris en door mijzelf verzameld. Het werk van een forensisch psycholoog is nauw verwant aan het werk van een wetenschapper die verschillende hypothesen en scenario’s toetst aan de hand van de beschikbare dossiergegevens en de resultaten van psychologisch testonderzoek. De forensisch psycholoog heeft de taak om zelf collaterale informatie te vergaren, als die in het aangeleverde strafdossier ontbreekt. Dat heb ik in de casus S. ook gedaan.

Dat familieleden die indirect bij een strafzaak als deze betrokken zijn, schrikken van wat er in de rechtszaal over hun (overleden) familielid gezegd wordt, zeker als het gezegde een ander licht op dat familielid werpt, kan ik begrijpen. Dat neemt niet weg dat in het kader van de waarheidsvinding in de rechtszaal ook pijnlijke feiten benoemd dienen te worden. Het is uiteindelijk aan de rechter om al hetgeen gezegd is in de rechtszaal en wat in het dossier staat, te wegen en zich daarover een finaal oordeel te vormen. Dat is niet aan de getuigedeskundige, niet aan de verdachte of zijn familie, niet aan de slachtoffers, niet aan andere direct of indirect bij de zaak betrokkenen. En het is ook niet aan de tuchtcolleges.

Ik hoop van harte dat het mooie vak dat forensische psychologie heet ook in Nederland erkend zal worden als zelfstandig specialisme binnen de psychologie, zodat vele jonge forensisch psychologen, onder andere zij die afstuderen aan de selectieve, tweejarige Master Forensic Psychology van de Universiteit Maastricht, zich in de toekomst niet hoeven te verantwoorden voor een tuchtcollege dat hen langs de verkeerde, therapeutische, meetlat legt.

ENGLISH VERSION

engelse_vlag

A licensing board reprimand based on a newspaper article and summary notes taken from a court session

The Netherlands Institute of Psychologists (NIP) has reprimanded me based on a newspaper article and summary notes made up by a court clerk about a court hearing that took place on July 24th, 2014 in the court of The Hague. The writings of the journalist and those of the clerk are incomplete and factually incorrect on several important points. The review board of the NIP did not have access to my forensic report in which my findings are elaborately substantiated by forensic psychological assessment, file information (1500 pages), witness statements and references to the relevant academic literature. In this blog, I will reflect on this case.

NRC (newspaper) article “The memory of S. has almost disappeared”

The NIP has sanctioned me partly on the basis of a newspaper article “The memory of S. has almost disappeared” in NRC Handelsblad of July 25th 2014 written by Evy van der Sanden, who was present at the court hearing on the previous day. It is relevant to note here that Evy van der Sanden did not take up contact with me prior to her publication, to check the statements she ascribed to me. Consequently, the factual errors in the NRC article do not fall within my responsibility.

  1. Van der Sanden writes: “The defense depicts an image of a woman who did not act voluntarily anymore, because she was terrorized by her husband Jos van Hal. That image was based on statements of mainly de Ruiter and S.” The last sentence violates the truth. In the police investigation of the case against S., at least four eyewitnesses made statements about the actual violent acts committed by Mrs. S.’ husband. These witness statements can be found in the case file to which I had access during my forensic psychological evaluation. The case file also contains medical injury information that ties closely to the reported violence by the witnesses. Due to privacy issues I am not able to cite from the file, but I will mention that it concerns very serious violence.
  2. Van der Sanden subsequently writes that I claimed that Van Hal “was psychopathic”. In answer to the court’s questions I stated that on the basis of all information from the file an image emerged of a man with several psychopathic features. More specifically, I mentioned two of these: deficient anger control and a great need for status, shown in spending large sums of money on expensive goods. I did not say that Van Hal had the diagnosis of psychopathy. In my statements to the court I made clear that I was referring to several personality traits, as they are established within forensic assessment by means of a specific forensic assessment instrument, the Psychopathy CheckList-Revised. This forensic instrument requires weighing the information about the assessed individual from different sources more heavily than information from the assessed person him or herself. This is, for that matter, an important difference between forensic and clinical-therapeutic assessment, which I will discuss in more detail below.

The report of the court clerk

The NIP also reprimanded me on the basis of the report that the clerk drafted about the court hearing on the 24th of July, 2014. This report also contains a number of factual errors that do not concur with my forensic report, or with what I actually said in court. The report is a rough summary and not a literal representation of what was stated during the hearing.[1]canstockphoto11787716

First of all, the questions asked to the expert witnesses (there were three in total) are not listed in the clerk’s report. To adequately understand the statements of an expert witness, it is absolutely necessary that the context of those statements is literally presented. Statements made by an expert witness build upon the case file and on the written forensic report that has been submitted to the court before. It is impossible to judge statements made in court, without taking note of the case file and the written report, and that is exactly what the NIP did.[2]

Secondly, it has to be noted that in this particular case, the three expert witnesses (two appointed by the court and I) asked to testify, were not heard individually, but simultaneously. We were asked to sit in a row, and the questions of the public prosecutor and the judges were mostly asked to one of the experts, after which the same question was asked to the next expert in line. Because of this very unusual way of questioning, an objective representation of the statements of all experts requires that the clerk’s report provides the timeline in which the statements were given. For example, sometimes one of the experts referred to an earlier statement of another expert and agreed and/or provided additional comments. From the clerk’s report, it cannot even be discerned that the testimony of the three experts took place in this rather strange manner.

The complaint of the Van Hal family concerns in particular page 3 of the clerk’s report which states that I said that “Van Hal comes from a family with a schizophrenic mother”. This is incorrect. In my written report and in court I stated that the mother of Van Hal, according to Van Hal himself, was schizophrenic, as noted in the statements of Mrs. S. and other witnesses. By stating that this information came from Mrs. S. and other sources, I fulfilled the requirement of providing references for my statement; and this way the judge knows it does not constitute a diagnosis. I did not give any diagnosis concerning the mother of Van Hal nor of Van Hal himself.

Clash of psychological cultures

How to explain that the NIP reprimanded me, despite these factual errors in the documents and without knowledge of my written forensic report? The NIP judged a psychologist’s professional ethics on the basis of a newspaper article and a clerk’s report full of distortions of the facts. To defend oneself as a forensic psychologist in a case like this is nearly impossible.

However, the cause of this and other reprimands, also of other forensic colleagues, lies deeper. The members of the review boards in the Netherlands are unfamiliar with my profession, forensic psychology. In contrast to many other countries, such as Canada, the United Kingdom, and the United States, this branch of psychology is not acknowledged as a specialty in the Netherlands. A forensic psychologist has another task, uses other test instruments, and other methods of data gathering, than a psychologist who diagnoses or treats someone in the context of care provision. The task of the expert in criminal cases is documented in article 51i, section 1 of the Dutch Code of Criminal Procedure and is described in the explanatory memorandum as: Conducting an assignment of providing information on the state of the knowledge in his professional field and to draft a report of his findings …”. Experts are ordered to “report truthfully, completely and to the best of their knowledge”. The obligation to declare truthfully concerns the empirical component in forensic assessment, such as the results of the different tests and the analysis thereof.

The expert witness is sworn in before testifying in court. This means that he should declare truthfully, honestly and according to “that which science has taught him”. The expert witness is present in court in the role of expert. This is also called the “forensic role”, in which the word forensic refers to the Roman Forum, where in Ancient times justice was administered.Principles Heilbrun

The difference between the psychologist in the forensic role and the clinical-therapeutic role is crucial in judging the quality of the work of a forensic psychologist, because the forensic role can conflict with the therapeutic, helping role. American forensic psychologist Kirk Heilbrun (2001) phrased this very explicitly: “Existing principles for therapeutic assessment are not adequate to describe the more specialized activity of forensic assessment” (p. 8-9). Table 1 depicts the most important differences.

Table 1. Differences between therapeutic and forensic roles for psychologist.

Therapeutic Forensic
Aim Diagnose and treat symptoms of illness Assist legal decision-maker or attorney; truth finding
Assessor-Assessee relationship Helping role Objective or quasi-objective stance
Notification of purpose Implicit assumptions about purpose shared by doctor and patient Assumptions about the aim are not necessarily shared
Who is being served? The individual client/patient Variable: judge, lawyer, public prosecutor
Data sources Self-report, testing, behavioral observations Collateral sources (case files, interviews with important others who know the assessed individual well, etc.), self-report, testing, behavioral observations
Response style of the assessee assumed to be reliable not assumed to be reliable (Necessity of assessment of faking good/bad)
Clarification of reasoning Optional Very important
Written report Brief, concluding description Extensive and detailed, documentation of findings, reasonings, and conclusions
Court testimony Not expected Will possibly be asked

Note: Table from Heilbrun, K. (2001), Principles of Forensic Mental Health Assessment, p.9 New York: Kluwer Academic (with minor amendments).

Because the work of the forensic psychologist deviates in important ways from those of the psychologist as therapist, the American Psychological Association, the sister organization of the NIP, drew up specific professional ethical guidelines for forensic psychologists already in 1991. These guidelines were revised in 2013. In forensic psychology, the individual that is assessed is not the client of the psychologist; the client is the commissioning party of the assessment (in the Netherlands: the public prosecutor, the judge or the defense attorney). The person who is being assessed does not have the right to withhold the forensic report and professional confidentiality has limited application. The contents of the forensic report should be extensively discussed in the (public) court, in the interest of establishing the truth. The forensic psychologist should not base his report merely on statements of the person he is assessing, but must use a variety of collateral sources, because only in this way the information stated by the assessed individual, can be verified. This is because the persons being assessed may have an interest in presenting themselves differently than they actually are, if they believe this is in their own legal interest.

It may be necessary, in the interest of that same truth finding, to examine other persons related (directly or indirectly) to the one who is being assessed. Such is the case when there are several suspects involved in one crime. To gain insight into the personality and behavior of one of the suspects, it is then necessary to also take note of information about the other suspects involved, to come to a balanced judgment. In the present case of S., collateral information about the behavior of Van Hal was needed, and this information was collected by the investigating judge and me. The work of a forensic psychologist is closely related to the work of a scientist who tests various hypotheses and scenarios based on the available file data and the results of psychological testing. The forensic psychologist has the obligation to gather collateral information, when it is absent in the supplied case file. This is what I did in the case of S.

I can understand that family members, who are indirectly involved in a criminal case such as this one, are disconcerted by what is said in court about their (deceased) family member, especially if this sheds a different light on that family member. This should not mean that in the context of establishing the truth inside the courtroom, painful facts cannot be discussed. It is ultimately up to the courts to weigh and review all that has been said in the courtroom and what is in the file information, to arrive at a final decision. This is not up to the expert witness, the suspect or his family, the victims, or others directly or indirectly involved in the case. And it is also not up to professional disciplinary boards.

I sincerely hope that our beautiful profession of forensic psychology will also become established in the Netherlands as an independent specialty within psychology, so that many young forensic psychologists, including the alumni from the selective, two-year Master in Forensic Psychology at Maastricht University, do not have to answer to a disciplinary board which holds them against the wrong therapeutic yardstick.

[1] This non-verbatim reporting of court hearings of expert witnesses in The Netherlands, stands in stark contrast with common practice in the United States, where all court testimony offered by expert witnesses is recorded verbatim, including the exact formulation of the questions posed to the expert and the answers provided. For an example, see Chapter 12, “Providing effective expert testimony”, in C. de Ruiter & N. Kaser-Boyd, Forensic psychological assessment in practice: Case studies. New York, Routledge, 2015.

[2] I could not defend myself in the review board procedure by submitting my forensic report, because the NIP Ethics Code stipulates that all documents submitted by one of the parties during a review board procedure will be automatically sent to the other party. This would have meant that the Van Hal family would have gained access to my forensic report of Mrs. S. through their complaint at the NIP. This was obviously not what I wanted.

 

Dit bericht werd geplaatst in Wetenschap & Maatschappij en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.