Het wonderlijke geval van Thomas Quick IV

Thomas Quick heet eigenlijk Sture Bergwall. Quick is meer een artiestennaam. Zo’n andere naam maakte het voor Bergwall gemakkelijker om er tijdens de verhoorsessies op los te fantaseren: over hoe alter ego Quick onopgehelderde moorden zou kunnen hebben gepleegd. Zijn mededeelzaamheid daarover werd daarbij verder opgekrikt met diazepam. De ruimte die Bergwall van zijn verhoorders kreeg om tussen de bedrijven door er wat oude krantenartikelen op na te slaan, leidde er vervolgens toe dat zijn bekentenissen altijd met een paar feiten waren gelardeerd. Oppervlakkig beschouwd zagen ze er daardoor echt uit.

Maar voor het overige schoten ze te kort. Bergwall/Quick vertelde bijvoorbeeld de hand te hebben gehad in de moord op de 9-jarige Therese Johannessen, een Noorse zaak, die eind jaren ’80 speelt. De stoffelijke resten van Therese Johannessen zou Bergwall/Quick in een meer hebben gedumpt. Beweerde hij. Maar zelfs na weken dreggen in het meer vonden de autoriteiten helemaal niets van het lijk terug. In een tweede geval dat Bergwall/Quick op zijn geweten zei te hebben, was er een ontlastende getuige die hem ten tijde van het delict op een andere plek dan de plaats delict had gezien. En in weer een andere zaak die Bergwall/Quick voor zijn rekening nam, waren er DNA-sporen, maar die matchten niet met Bergwall/Quick.

Het verhaal van Bergwall/Quick is zo interessant omdat het de capita selecta van de rechtspsychologie in zich bergt. Je kunt er mee illustreren dat het riskant is als verhoorders de therapeut gaan uithangen, dat je verdachten niet moet opzadelen met het ridicule idee van verdrongen moorden, dat verdachten talkative worden van benzodiazepines, dat je ze al helemaal een vrijbrief geeft om te speculeren als je hen een alter ego aan de hand doet. En zoverder, en zomeer.

Maar het belangrijkste punt dat de zaak Bergwall/Quick demonstreert is het corrumperende potentieel van valse bekentenissen. Ligt er eenmaal een (valse) bekentenis op tafel, dan wordt al het andere bewijsmateriaal – ontlastende ooggetuigen, niet matchend DNA, ontbrekende schakels – in het licht van die bekentenis geïnterpreteerd.

Opnieuw is het de Amerikaanse rechtspsycholoog Saul Kassin die dit corrumperend effect met cijfermateriaal onderbouwde. Hij keek naar rechterlijke dwalingen en maakte daarbij onderscheid tussen zaken met valse bekentenissen en die met dwalende ooggetuigen. De eerste groep – valse bekentenissen – bleek gepaard te gaan met veel meer andere fouten, vooral forensic science errors. Zodra een valse bekentenis opduikt, treedt er een cascade aan missers op: ontlastende getuigen worden buiten het dossier gehouden, vinger-afdruk experts zien bij nader inzien toch een match, tegenvallende DNA-sporen worden wegverklaard etc.. Aldus ontstaat gaandeweg een bewijsconstructie die er ijzersterk uitziet, maar dat niet is. Zie het wonderlijke geval van Thomas Quick V.

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Een reactie op Het wonderlijke geval van Thomas Quick IV

  1. Pingback: Het wonderlijke geval van Thomas Quick III | Forensische Psychologie Blog

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s