Mijn leven als dier

Een tijdje geleden mocht ik als getuige-deskundige optreden in een Belgische rechtszaak. Een man werd van moord verdacht en, ofschoon er geen bewijs tegen hem was, zag het er slecht voor hem uit. Hij had een motief en een lokale klinisch psychologe had verklaard dat hij het persoonlijkheidsprofiel had van een kille moordenaar. In België kan dat genoeg zijn voor een veroordeling. Het advocatenteam van de verdachte had mij gevraagd iets te zeggen over de instrumenten die de psychologe had gebruikt om hun cliënt te bestempelen als potentiële moordenaar. Haar tests kwamen mij vagelijk bekend voor. Ik meende mij te kunnen herinneren dat, toen ik begin jaren 80 van de vorige eeuw in Amsterdam psychologie studeerde, er een docent was die deze tests omschreef als antiek. Daarom toog ik, enkele weken voordat ik mijn zegje mocht doen in de rechtszaal, naar de bibliotheek van de Universiteit Maastricht om daar een oud boek over psychodiagnostiek te lenen. Het kostte de bibliothecaresse behoorlijk wat moeite om het boek op te snorren: verstopt in de kelder lag het ergens stof te vangen. In het boek las ik dat de meeste van de tests die de psychologe had gebruikt om de verdachte het label ‘kille moordenaar’ op te plakken, al meer dan veertig jaar als sterk verouderd werden beschouwd. Eén test kon ik nergens vinden. Dat was ‘mijn leven als dier’ test. Bij deze test moest de verdachte zijn twee lievelingsdieren noemen. Hij noemde labrador en adelaar en deze combinatie was volgens de psychologe sterk bewijs dat de verdachte trekken van een psychopathische moordenaar had.

In de rechtszaal vertelde ik de jury dat de psychologe sterk verouderde tests had gebruikt. ‘Mijn leven als dier’ noemde ik een waardeloze test die op geen enkel wetenschappelijk inzicht was gebaseerd. Naar mijn idee had voorkeur voor een bepaald type hond nu eenmaal niets te maken met persoonlijkheid. Het zal vast niet door mijn optreden komen, Belgen houden nu eenmaal niet van Hollanders die komen vertellen dat zij het fout doen, maar de verdachte werd vrijgesproken.

Waarom ik deze anekdote nu oprakel? Ik had het volkomen mis met mijn bewering dat voorkeur voor een type hond niet samenhangt met persoonlijkheid. Wells en Hepper, verbonden aan Queens University in Belfast, rekruteerden bijna 140 hondeneigenaren. Zij creëerden twee groepen: de ene groep had een Duitse herder of een rottweiler (agressieve hondenrassen volgens de onderzoekers), de andere een labrador of een golden retriever (honden die niet bekend staan om hun agressie). Bij alle hondenbezitters werden agressieve persoonlijkheidstrekken gemeten. Wat bleek? Mensen met een hoge score op de agressieschaal bezaten vaker een Duitse herder of een rottweiler dan een labrador of golden retriever. En omgekeerd hadden mensen met een lage score vaker een labrador of golden retriever dan een Duitse herder of een rottweiler. Persoonlijkheid lijkt dus wel degelijk samen te hangen met voorkeur voor een bepaald type hond. Maar een labrador lijkt niet te wijzen op psychopathische trekken, zoals de Belgische klinisch psychologe destijds beweerde.

Literatuur:

Wells, D.L. & Hepper, P.G. (2012). The personality of “aggressive” and “non-aggressive” dog owners. Personality and Individual Differences, 53, 770-773.

Dit bericht werd geplaatst in Wetenschap & Maatschappij. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s