An original man has passed away

In Memoriam Gerald R. Patterson (1926-2016)

door Corine de Ruiter en Ferko Öry

Onze eerste kennismaking met Oregon Social Learning Center (OSLC) en het werk van Gerald (Jerry) Roy Patterson was in het najaar van 1985, toen De Ruiter haar klinische stage liep in een counseling center in Eugene, Oregon. Het counseling center organiseerde regelmatig academische lezingen en de lezing van John Reid, die met Patterson aan de wieg stond van OSLC, is niet licht te vergeten (voor een uitgebreide geschiedenis van OSLC, zie http://www.oslc.org/about/history/). Reid vertelde met aanstekelijk enthousiasme over het innovatieve observationele onderzoek naar de ontwikkeling van antisociaal gedrag bij kinderen en de veelbelovende interventies die ze bij OSLC aan het uittesten waren. Eugene was in die jaren een hippe ‘place-to-be’; ook Ken Kesey, auteur van ‘One flew over the cuckoo’s nest’ woonde vlakbij, en kwam langs om een lezing te geven.

patterson-reid

Patterson (l) en Reid (r)

De sociale interactie leertheorie van Patterson, die hij ontwikkelde op basis van minutieuze gedragsobservaties tussen ouders en kinderen (Patterson, 1982) en longitudinaal onderzoek met 206 gezinnen uit hoog-risicobuurten (Oregon Youth Study; Capaldi & Patterson, 1987), bleek dé inspiratiebron voor bijna alle interventieprogramma’s die voor kinderen met agressief en antisociaal gedrag zijn ontwikkeld. Dit geldt onder andere voor Parent Management Training Oregon Model (PMTO), Multidimensional Treatment Foster Care (MTFC) van Patricia Chamberlain, Incredible Years van Carolyn Webster-Stratton, Triple P van Matthew Sanders, Parent Child Interaction Therapy (PCIT) van Sheila Eyberg en Stop Now and Plan (SNAP) van Leena Augimeri en collega’s.[1] In al deze programma’s staat het aanleren van effectieve opvoedingsvaardigheden aan de ouders centraal, met nadruk op het belonen van gewenst gedrag, en het bieden van structuur en verbinden van consequenties aan ongewenst gedrag. Door de verbeterde opvoedingsvaardigheden wordt de cyclus van dwingende controle (coercive control) doorbroken en wordt prosociaal gedrag bij ouders én kinderen versterkt (Thijssen, de Ruiter, & Albrecht, 2008).

Patterson onderscheidt zich van veel andere onderzoekers doordat hij vanaf het begin complexe statistische analysetechnieken gebruikte om zijn theoretische hypothesen te toetsen. Hierdoor was het mogelijk de ontwikkeling van gedrag bij kinderen en adolescenten in de tijd te volgen en causale verbanden te toetsen (zie bijvoorbeeld Forgatch, Patterson, DeGarmo, & Beldavs, 2009; Patterson, Forgatch, & DeGarmo, 2010). Ook schreef hij diverse boeken (uitgegeven door Research Press) voor ouders, waarin hij zijn onderzoeksbevindingen vertaalde naar praktische tips. Van zijn eerste boek, Living with children, zijn meer dan een half miljoen exemplaren verkocht. Hij bleef tot op hoge leeftijd, ook nadat hij formeel ‘emeritus’ was, wetenschappelijk actief (zie bijvoorbeeld: Forgatch, Patterson, & Gewirtz, 2013; Patterson, 2016).

Tijdens zijn emeritaat publiceerde Patterson twee memoires, A Guide’s Tale (2009) en Free and Moving (2012). Deze prachtig geschreven boeken laten zien hoe zijn liefde voor kanoën in de wildernis en zijn hartstocht voor de wetenschap in zijn leven met elkaar verstrengeld raakten. Hij groeide op in een kleine gemeenschap in Noord Minnesota, bij het Robinson meer. Daarvandaan ging hij in 1943 als infanterist in militaire dienst, waar hij in Okinawa deelnam aan de strijd. De oorlog en vooral het leven met oorlogservaringen, hielden hem zijn leven lang bezig, getuige het gedicht dat hieronder met instemming van zijn vrouw en collega-onderzoeker, Marion Forgatch, is weergegeven.

the-interview

To Guido & Charlie, Okinawa, April 1945

Patterson ontving vele onderscheidingen tijdens zijn leven, onder andere de Distinguished Scientist Award van de American Psychological Association en een eredoctoraat van de Universiteit van Bergen, Noorwegen. Wij ontmoetten hem in 2005 voor het eerst in Eugene, in de voorbereiding van de implementatie van PMTO in Nederland. Öry vraagt hem om iets in zijn meegebrachte boek Antisocial behavior in children and adolescents (Reid, Patterson, & Snyder, 2002), te schrijven. De drie woorden die hij opschreef, “Do it better”, tekenden zijn warme bescheidenheid.

[1] Incredible Years, Triple P, PCIT, SNAP, PMTO en MTFC zijn allemaal geïmplementeerd in Nederland.

Deze tekst zal ook verschijnen in Kind en Adolescent, 2016. DOI: 10.1007/s12453-016-0127-2

Literatuur

Capaldi, D. M., & Patterson, G. R. (1987). An approach to the problem of recruitment and retention rates for longitudinal research. Behavioral Assessment, 9, 169-177.

Forgatch, M. S., Patterson, G. R., DeGarmo, D. S., & Beldavs, Z. G. (2009). Testing the Oregon delinquency model with 9-year follow-up of the Oregon Divorce Study. Development and Psychopathology, 21, 637–660.

Forgatch, M. S., Patterson, G. R., & Gewirtz, A. H. (2013). Looking forward: The promise of widespread implementation of parent training programs. Perspectives on Psychological Science, 8, 682-694.

Patterson, G. R. (1982). Coercive family process. Eugene, OR: Castalia.

Patterson, G. R. (2016). Coercion theory: The study of change. In T. J. Dishion & J. J. Snyder (Eds.), The Oxford handbook of coercive relationship dynamics (pp. 7-22). New York, NY: Oxford University Press.

Patterson, G. R., Forgatch, M. S., & DeGarmo, D. S. (2010). Cascading effects following intervention. Development and Psychopathology, 22, 949–970.

Reid, J. B., Patterson, G. R., & Snyder, J. J. (2002). Antisocial behavior in children and adolescents: A developmental analysis and the Oregon model for intervention. Washington, DC: American Psychological Association.

Thijssen, J., de Ruiter, C., & Albrecht, G. (2008). Preventie van antisociaal gedrag bij kinderen: Parent Management Training Oregon. In J. R. M. Gerris en R. C. M. E. Engels (Red.), Vernieuwingen in jeugd en gezin: Beleidsvisies, gezinsrelaties en interventies (pp. 125-140). Assen: Van Gorcum.

Websites

Home

http://geraldrpatterson.com

https://www.researchpress.com/authors/286/dr-gerald-r-patterson

Geplaatst in Wetenschap & Maatschappij | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Bill Cosby is nu echt niet meer grappig

Bill Cosby. De bekende Afro-Amerikaanse komediant die in de jaren tachtig de raciale grenzen doorbrak met zijn televisieprogramma The Cosby Show. Vele jaren later wordt Bill Cosby verdacht van seksueel misbruik. Tientallen vrouwen beweren door hem in de jaren zeventig gedrogeerd en misbruikt te zijn. Pas in 2015 komen de meeste vermeende slachtoffers er voor uit.

Goede zaak zou je kunnen zeggen. Dat dacht Senator Connie Leyva van Californië ook. En vanwege de Cosby zaak stelde zij een wetsvoorstel op. De crux van het wetsvoorstel is dat er geen verjaringstermijn meer bestaat om verdachten van seksueel misbruik te vervolgen. In simpel Nederlands: een vrouw die bijvoorbeeld vijftig jaar geleden is verkracht door haar zwemleraar, maar er nooit voor is uitgekomen, kan nu alsnog een zaak aanspannen tegen hem. Goede zaak?

Verschillende psychologen, zoals de bekende Amerikaanse psychologe Elizabeth Loftus, hebben een aantal weken geleden een brief ondertekend waarin ze bezwaar aantekenen tegen het wetsvoorstel. Ik tekende trouwens ook. Dat heeft te maken met hoe ons geheugen functioneert. Zaken zoals seksueel misbruik bestaan dikwijls uitsluitend uit verklaringen van vermeende slachtoffers. Om tot vervolging over te gaan dienen rechters overtuigd te zijn dat de verklaringen verwijzen naar een accurate herinnering. En daar zit het probleem. Onze herinneringen vervagen naarmate de tijd vordert. Buiten dat zijn ze zeer vatbaar voor beïnvloeding zoals gesprekken met of suggestieve wenken van anderen. De kans op een foutieve herinnering neemt toe naarmate je langer wacht. En daardoor neemt de kans op een valse beschuldiging ook toe.

Je zou denken dat de gouverneur van Californië, Jerry Brown, gevoelig zou zijn voor onze brief. Nee hoor. Een aantal dagen geleden ondertekende Jerry het wetsvoorstel. Het is nu maar wachten totdat iemand onterecht wordt beschuldigd. Nee, Bill Cosby is nu echt niet meer grappig.

Geplaatst in Wetenschap & Maatschappij | Een reactie plaatsen

Opgelicht?! opgelicht

Er was al dat bedrijf gespecialiseerd in fraudedetectie dat zich schuldig maakte aan misleiding. Toen was er de afdeling Integriteitszaken van Delta Lloyd die zaken deed met dat oneerlijke bedrijf. Nieuw in dit illustere rijtje: het TV programma Opgelicht?! is opgelicht.

De aflevering van afgelopen dinsdag ging onder andere over een bende oplichters die vrouwen geld afhandig maakte. Onder de verdachte was ook een vrouw die voor de camera een uitgebreide verklaring aflegde. De waarachtigheid van deze verklaring werd door een expert – een heuse luitenant-kolonel – met de Forensic Voice Stress Analyzer (FVSA) getest. Voor de expert was het overduidelijk: het verhaal was van begin tot eind gelogen.

Bij Opgelicht?! wisten ze blijkbaar niet dat er geen enkel bewijs is dat op stem gebaseerde leugendetectie werkt, en dat de mensen die het aanbieden eigenlijk gewoon geldkloppers zijn. Dus stelde ik de redactie van het programma daarvan op de hoogte. Ik kreeg een mail terug van verslaggever Marco Kamphuis. Geen bedankje. Integendeel. Kamphuis volgde de lijn van doorgewinterde complotdenkers:

  • Wij gebruikten niet de Israëlische LVA, maar de Australische FVSA. Uw bezwaren zijn dus helemaal niet van toepassing.
  • Ik verzoek u de bewering dat het system niet deugt met relevante onderzoeken te ondersteunen. Daarbij verzoek ik u alle onderzoeken mee te nemen en niet alleen te refereren naar onderzoeken die uw stelling onderschrijven, zoals u dat bij de LVA deed.
  • Het systeem geldt in verschillende landen, waaronder de VS, als wettig bewijsmiddel. Dat was voor mij als journalist voldoende reden om met dit systeem de analyse te laten doen.

Nou ben ik de beroerdste niet en schreef ik Marko Kamphuis terug dat ik niet zo onder de indruk was van het de-ene-homeopathische-dosering-is-de-andere-niet argument. En dat ik openstond voor wetenschappelijk onderzoek dat laat zien dat de FVSA wel leugens kan detecteren. Maar waar dat dan was. De bewijslast rust immers op de schouders van mensen die het apparaat gebruiken of laten gebruiken. Of vinden ze bij Opgelicht?! ook dat bijvoorbeeld alternatieve geneeswijzen acceptabel zijn zolang nog niet uit onderzoek is gebleken dat ze geen enkele geneeskundige werking hebben?

Ook schreef ik dat ik weinig onder de indruk was van het bewijsmiddel-argument. Op de eerste plaats: als het al zo is dat het als bewijsmiddel wordt geaccepteerd, zegt dat nog weinig. Niet alles wat in de rechtszaal als fidele techniek wordt gepresenteerd is dat ook, zo blijkt uit een recent rapport. Op de tweede plaats omdat het mij – gezien de Amerikaanse jurisprudentie (bijvoorbeeld deze, deze, en deze) – erg onwaarschijnlijk lijkt dat in dat land leugendetectie via de stem in de rechtbank als bewijs wordt geaccepteerd. Maar dat ik open stond voor een verwijzing naar een zaak waarin het daadwerkelijk als bewijs geaccepteerd was.

Toen bleef het stil. Ik informeerde nog eens, en kreeg ik een kribbig mailtje van Marco Kamphuis retour met een gegooglede Latijnse spreuk. Affirmanti incumbit probatio om precies te zijn. En het bericht dat hij wel iets beters te doen had. Hij zal wel druk zijn met zijn opleiding journalistiek.

Opgelicht?! houdt een kleine miljoen kijkers voor dat op stem gebaseerde leugendetectie werkt. Maar de redactie van het programma kan de werkzaamheid van het apparaat op geen enkele manier onderbouwen. De redactie wil vast geen mensen op verkeerde ideeën brengen. Het zou daarom het programma sieren als het in de volgende uitzending – en op de webpagina – een kritische noot zouden plaatsen. Een rectificatie zeg maar. En dat ze Marco Kamphuis nog eens uitlegt dat er kritische kijkers bestaan die je best vriendelijk te woord mag staan. En dat je niet moet bluffen met Latijnse citaten als je niet op het gymnasium hebt gezeten.

Geplaatst in Uncategorized | 4 reacties

Commentaar op de reactie van recherchepsycholoog Cleo Brandt

Recherchepsycholoog Cleo Brandt reageerde op 8 augustus 2016 op onze blog over fataal partnergeweld in Nederland. We bedanken Cleo voor haar reactie en zullen hieronder een aantal aspecten van haar reactie van commentaar voorzien.

Ten eerste beweert Brandt dat wij onvoldoende onderscheid aanbrengen tussen huiselijk geweld tijdens de relatie en ex-partner stalking. Het klopt dat de plegers van fataal partnergeweld niet allemaal hetzelfde ‘risicoprofiel’ hebben, maar bij beide vormen speelt de vraag hoe je het beste kunt voorkomen dat er uiteindelijk dodelijk geweld volgt. Wij hebben er bewust voor gekozen ons te richten op zaken van fataal (ex-)partnergeweld in Nederland, waarbij sprake was van eerdere bedreigingen (tijdens en/of na de relatie) en soms ook stalking. Het gaat ons om de ernst van de uitkomst: het overlijden van het slachtoffer/de (ex-)partner, terwijl er voorafgaand aan het dodelijke geweld serieuze signalen van escalerende bedreigingen, stalking en/of fysiek geweld waren. Wij kunnen ons volledig vinden in de uitspraak van Brandt waarin ze stelt: “De noodzaak om juist die zaken te identificeren waar het risico op dodelijk geweld het grootst is, is evident.” Brandt verwijst naar de SASH als een relevant risicotaxatie-instrument bij stalking, maar dit instrument is niet specifiek geschikt voor ex-partner stalking (zie deze website). Het richt zich op alle vormen van stalking: ex-intieme partners, kennissen (waaronder vrienden en familieleden), of vreemden (publieke figuren of onbekende vreemden). Bovendien geeft Brandt zelf trainingen in het gebruik van de SASH, zoals blijkt uit de website van de RINO Groep. In de wetenschap noemt men dit een conflict of interest. Volgens goed gebruik had Brandt deze belangenverstrengeling dienen te vermelden in haar reactie, omdat dit mogelijk haar objectiviteit ten aanzien van andere risicotaxatie-instrumenten, zoals de Lethality Screen, aantast.

 

Brandt heeft bezwaren tegen de Lethality Screen die wij onterecht vinden. Zij beroept zich daarbij op de meningen van andere autoriteiten op het gebied van risicotaxatie van huiselijk geweld, zoals Storey en Hart (2014) en Nicholls et al. (2013). Brandt beweert bijvoorbeeld dat haar lage specificiteit de Lethality Screen ongeschikt maakt voor de politie. Sensitiviteit en specificiteit zijn op zich geen kenmerken van een instrument, maar altijd afhankelijk van de base rate (de mate waarin het gedrag voorkomt in de populatie; in dit geval gaat het om de base rate van fataal partnergeweld), en van het afkappunt van het instrument dat gebruikt wordt. De base rate is in dit geval per definitie zeer laag (gelukkig maar!), en dat maakt fataal partnergeweld dus sowieso moeilijk te voorspellen, omdat zeldzaam voorkomend gedrag nou eenmaal lastiger te voorspellen is dan veelvoorkomend gedrag.

Brandt haalt de studie van Messing en collega’s (2015) aan als ‘bewijs’ voor de zwakke specificiteit van de Lethality Screen. In het artikel van Messing et al. (2015) staat een belangrijke tabel (Table 2), die we hier integraal weergeven, om duidelijk te maken waarom de Lethality Screen, in tegenstelling tot wat Brandt beweert, wel degelijk zeer relevant kan zijn voor de politie in Nederland.

Table 2 Lethality Screen findings

Overgenomen uit Messing et al. (2015)

 

Twee maten voor predictieve nauwkeurigheid die relevant zijn voor de forensische risicotaxatie zijn de Positieve Predictieve Waarde (Positive Predictive Value; PPV) en de Negatieve Predictieve Waarde (Negative Predictive Value; NPV). De PPV is de proportie van degenen die als hoog risico beoordeeld zijn op basis van het risicotaxatie-instrument, die daarna ook daadwerkelijk een delict pleegt, terwijl de NPV verwijst naar de proportie van hen die als laag risico zijn beoordeeld, die geen nieuw delict pleegt. Een instrument met een hoge PPV kan dan geselecteerd worden om in de forensische praktijk hoog-risico gevallen te detecteren; een instrument met een hoge NPV kan gebruikt worden om laag-risicogevallen uit te filteren. Uit de tabel blijkt dat van de 28 gevallen van ‘near fatal violence’ (dat was de gekozen uitkomstmaat in dit onderzoek) er 26 correct aangeduid waren door de Lethality Screen, dat is 93%. Deze waarde vertegenwoordigt de zogenaamde Positive Predictive Value (PPV) en dit is de meest relevante parameter voor het beoordelen van de waarde van een risicotaxatie-instrument voor de praktijk (Singh, 2013). Deze PPV is voor de Lethality Screen dus heel hoog. Dat de Lethality Screen ook een groot aantal vals positieve beoordelingen opleverde (dus een lage NPV van 21%, d.w.z 46/216) is juist, maar voor toeleiding naar hulp/interventie en ‘empowerment’ voor het slachtoffer is een hoge PPV belangrijker dan een hoge NPV. Er is altijd sprake van een trade-off tussen PPV en NPV. Door het afkappunt van een instrument te verhogen of juist te verlagen, kunnen de PPV en NPV veranderd worden, afhankelijk van de wensen in de praktijk. In dit geval is het uiteindelijke gedrag (fataal partnergeweld) zo ernstig, dat wij van mening zijn dat een hoge PPV te prefereren is boven een hoge NPV, onder het motto: ‘better safe than sorry’.

Met het aanreiken van de Lethality Screen hebben wij overigens niet betoogd dat dit de enige juiste tool voorhanden is, maar wel eentje die tot de mogelijkheden behoort en al wetenschappelijk is onderzocht. Los van de vraag welk instrument het meest geschikt zou zijn om het risico voor deze potentiële slachtoffers te taxeren, is de belangrijkste boodschap van onze blog dat de politie het, veel meer dan nu het geval is, tot haar primaire taak zou moeten rekenen om deze slachtoffers te beschermen.

Naar aanleiding van onze blog hebben wij diverse reacties van (gelukkig nog in leven zijnde) slachtoffers van stalking en bedreiging ontvangen. Deze mensen mailden ons dat de politie, net als in de zaak Linda van der Giesen en de andere door ons gememoreerde zaken, niets concreets heeft ondernomen. De politie heeft richtlijnen en werkinstructies voor stalking en huiselijk geweld situaties, maar dit is precies wat het zijn: richtlijnen, die niet verplicht zijn (zoals ook blijkt uit het politie rapport over de zaak Linda van der Giesen). Met louter vrijblijvende richtlijnen is de politie een onbetrouwbare ketenpartner in het voorkomen van fataal partnergeweld. Wat ons betreft is naast gebruikt van een risicotaxatie-instrument, zoals de Lethality Screen, een beleidsverandering nodig.

 

Literatuur

Messing, J.T., Campbell, J., Wilson, J.S., Brown, S., & Patchell, B. (2015). The Lethality Screen: The predictive validity of an intimate partner violence risk assessment for use by first responders. Journal of Interpersonal Violence, 1-22. doi: 10.1177/0886260515585540

Nicholls, T. L., Pritchard, M. M., Reeves, K. A., & Hilterman, E. (2013). Risk assessment in intimate partner violence: A systematic review of contemporary approaches. Partner Abuse, 4, 76-168.

Singh, J. P. (2013). Predictive validity performance indicators in violence risk assessment: A methodological primer. Behavioral Sciences & the Law, 31, 8-22.

Storey, J.E., & Hart, S.D. (2014). An examination of the danger assessment as a victim-based risk assessment instrument for lethal intimate partner violence. Journal of Threat Assessment and Management, 1, 56–66. doi:10.1037/tam0000002

Geplaatst in Veiligheid & terrorisme, Wetenschap & Maatschappij | Tags: , , | 1 reactie

Fataal partnergeweld tegen vrouwen: Niet verwijtbaar wel vermijdbaar

door Colinda Serie en Corine de Ruiter

Het CBS kopte vorige week met positief nieuws: Nederland heeft het laagste aantal moorden in 20 jaar. In datzelfde zogenaamd positieve bericht, staan echter ook zeer verontrustende cijfers over dodelijk geweld tegen vrouwen: Meer dan de helft van de vermoorde vrouwen werd om het leven gebracht door de eigen partner of een ex.

Deze gevallen van fataal partnergeweld tegen vrouwen halen regelmatig de landelijke media en schokken de maatschappij. Zo’n geval is de zaak Linda van der Giesen, die door haar ex werd doodgeschoten. In die zaak deed een onafhankelijke commissie onderzoek en die concludeerde in haar onderzoeksrapport dat de politie een inschattingsfout heeft gemaakt in het beschermen van Linda. Zij werd op 10 augustus 2015 doodgeschoten door haar ex-partner, terwijl zij 10 dagen eerder al aangifte had gedaan van stalking en bedreiging.

Relatie-van-slachtoffers-van-moord-en-doodslag-met-de-dader-2011-2015-16-07-27

Bron: CBS, 2016

Vanwege de enorme gevolgen voor de nabestaanden, met name het 5-jarige zoontje van Linda, hebben de vader van het zoontje en zijn advocaat Peter Schouten gestuurd op een onafhankelijk onderzoek naar deze zaak (zie de aflevering van Pauw, 17 mei 2016: http://pauw.vara.nl/media/357414). In haar rapport schrijft de Commissie Eenhoorn dat “De aangifte, in combinatie met de overige informatie, had moeten leiden tot (grote) urgentie en een (snelle) interventie in deze zaak” (p. 20). De Commissie noemt het handelen van de politie echter niet verwijtbaar, wel vermijdbaar. Er zou te weinig kritisch worden gekeken naar de huidige werkwijze en te weinig gedaan om die te verbeteren.

De taken van de politie zijn divers. Naast het opsporen van strafbare feiten en het bewaken van de openbare orde valt ook het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven (volgens art. 3 Politiewet) onder haar taken. De Commissie Eenhoorn is van mening dat de politie in de zaak Van der Giesen te veel gericht was op haar opsporingstaak en te weinig op haar hulpverlenende taak. Zo is er bij de aangifte van Linda geen dreigingsanalyse verricht, concludeert de commissie. Hoewel deze moeilijk te vinden zijn en niet standaard worden gebruikt, beschikt de politie wel degelijk over hulpmiddelen voor zo’n analyse, aldus de commissie (zie p. 12 van het commissie rapport). Zo bestaat er de Checklist bij Stalking, die bestaat uit 10 vragen omtrent de stalking situatie, waaronder: “Hebben stalker en slachtoffer een intieme relatie gehad?”, “Heeft de stalker gedreigd met moord of zelfmoord?”, en “Is het slachtoffer erg bang?”. De checklist geeft aan dat hoe vaker er “ja” wordt geantwoord op deze vragen, hoe groter het risico voor het slachtoffer.

Wanneer de commissie de casus Linda analyseert aan de hand van deze checklist, komt zij acht van de tien keer uit op een “ja”, waaruit naar voren komt dat er een concrete dreiging met geweld bestond. Conform de werkinstructie ‘Stalking’ (zie p. 11 van het commissie rapport en p. 7-8 van het politierapport) had de politie vervolgens beschermende maatregelen moeten bespreken met Linda. In het  rapport dat de politie zelf over deze zaak heeft geschreven, wordt uitgelegd waarom er geen dreigingsanalyse is gemaakt, zoals het protocol wel voorschrijft. De politie geeft aan dat de protocollen een beperkte werking hebben, moeilijk toepasbaar, tijdrovend en te gedetailleerd zijn. In lijn hiermee concluderen ze dat politiemedewerkers voornamelijk handelen op basis van ervaring en gevoel.  Dat politiemedewerkers te veel op hun gevoel vertrouwen blijkt ook op andere terreinen, zoals leugendetectie. Zo toont onderzoek aan dat politiemedewerkers vertrouwen dat zij leugens goed kunnen detecteren,  maar dit vertrouwen is niet gerelateerd aan hun accuraatheid  (Mann, Vrij, & Bull, 2004; Vrij & Mann, 2001).

Alamy stalking

Foto: ALAMY

Wij vroegen ons af hoe representatief de zaak Linda van der Giesen eigenlijk is in Nederland anno 2016. Met andere woorden: hoeveel van dit type zaken van dodelijk geweld door (ex-)partners halen niet de landelijke media, en worden ook niet systematisch en uitgebreid onderzocht door een overheidscommissie? Uit ons onderzoek blijkt dat de zaak van Linda van der Giesen helaas niet uniek is.

In Nederland worden jaarlijks ongeveer 64.000 incidenten en 20.000 misdrijven van huiselijk geweld tegen (ex-) partners geregistreerd door de politie. Jaarlijks leiden bedreiging, mishandeling en stalking door een (ex-) partner tot ongeveer 17.000 aangiften (zie p. 8 van het politierapport). Koenraadt en Liem publiceerden in 2010 een artikel over het aantal slachtoffers van fataal huiselijk geweld over de periode 1992-2009, op basis van de Moord en Doodslag Monitor en de Databank Doding in Gezinsverband. Zij concludeerden dat er jaarlijks ongeveer 40 slachtoffers vallen door (ex-)partnerdoding, wat bijna een vijfde van alle levensdelicten in Nederland in die periode was (Koenraadt & Liem, 2010).

Wij gingen vervolgens op zoek naar casuïstiek vanaf januari 2010 tot heden via internet en vonden met behulp van diverse moord- en doodslaglijsten 153 vrouwelijke slachtoffers van (ex-) partnerdoding. Enkele hiervan lijken op de zaak Van der Giesen. Na een oppervlakkige analyse detecteerden wij 25 zaken die op het eerste gezicht gelijkenissen vertonen met de zaak Van der Giesen. Een treffend voorbeeld is de zaak van Raja Draaisma die werd doodgeschoten door haar ex-vriend in juni 2015. Raja had, net als Linda, al meerdere malen contact gezocht met de politie en vertelde hen dat haar ex in het bezit was van een vuurwapen en haar afluisterde. Typerend is ook de zaak van de 17-jarige Juliette Bouhof die in oktober 2014 door haar 22-jarige ex-vriend werd vermoord, nadat zij een maand eerder aangifte tegen hem had gedaan wegens bedreigingen. Hij had kort voor haar dood een straatverbod gekregen, maar dit bleek onvoldoende om Juliette te beschermen. In 2013 werd Wendy Rutjes vermoord door haar ex-vriend. Hij stalkte en bedreigde haar; zo had hij haar auto onbestuurbaar gemaakt en haar kat opgehangen. Ook in deze zaak werd eerder aangifte gedaan bij de politie door het slachtoffer. In datzelfde jaar werd de 19-jarige Saga Backman neergestoken door haar ex-vriend. Opnieuw had het slachtoffer eerder aangifte gedaan wegens stalking en bedreiging.

In al deze zaken van partnerdoding hebben meldingen en aangiftes van het slachtoffer geen enkel effect gehad. Hoewel justitie in sommige zaken wel stappen ondernam, zoals het opleggen van een straatverbod aan de stalker/bedreiger, bleek dit onvoldoende ten opzichte van het hoge risico op dodelijk geweld dat deze slachtoffers liepen. Gebruik van een gevalideerde risicoscreening zou de politie kunnen helpen om uit het grote aantal aangiften van stalking en bedreiging door (ex-)partners die zaken te vissen die echt high risk zijn. Hoewel de Checklist Stalking een stap in de goede richting is, is dit instrument alleen gericht op stalking, lijkt het niet structureel te worden toegepast en is het bovendien niet wetenschappelijk onderzocht.

Een voorbeeld van een breed inzetbaar, gevalideerd en gestructureerd instrument is de Lethality Screen, ontwikkeld door Dr. Jill Messing van de Arizona State University. Dit instrument biedt de mogelijkheid om het risico op dodelijk /ernstig huiselijk geweld gestructureerd in te schatten op basis van dreigingen en eerdere incidenten. Het is een kort (11 items) en eenvoudig instrument, dat al tijdens de (telefonische )intake of door de politie ter plekke na een melding van een incident van huiselijk geweld, kan worden gebruikt.  Bovendien geeft de uitkomst van het instrument aan welke stappen er ondernomen kunnen worden door de politie en het slachtoffer om veiligheid te creëren. Op deze manier biedt de screening direct een korte educatieve interventie over het risico voor het slachtoffer, directe beschermingsmaatregelen en spoort het het slachtoffer aan tot het zoeken van hulp.

Lethality screen

Bron: mnadv.org

De Lethality Screen past naadloos in de aanbevelingen van de commissie Eenhoorn om het potentieel van de Intake & Service afdeling van de politie beter te benutten, en in alle fasen na een melding of aangifte van dreiging, stalking of fysiek geweld een afweging van het risico op dodelijk/ernstig geweld voor het slachtoffer te maken. Vanuit de Universiteit Maastricht hebben wij een prototype van een mobiele app van de Lethality Screen gemaakt. Wij nodigen de politie van harte uit om met ons een pilot te gaan draaien met deze app, zodat het aantal vermijdbare slachtoffers van dodelijk (ex-)partnergeweld verminderd wordt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in Veiligheid & terrorisme | Tags: , | 3 reacties

30 years of love and labor

This month, it is exactly 30 years ago that I started my first job as a researcher at the Department of Psychiatry at Utrecht University. It was June 1986. I had just graduated with an MSc in Clinical Psychology. Two months earlier, I had completed my 9-month clinical internship at a counseling center in Eugene, Oregon. Still ‘wet behind the ears’, I was accepted to conduct three years of research on panic disorder and agoraphobia in relation to the so-called hyperventilation syndrome, under the guidance of Drs. Bert Garssen and Floor Kraaimaat. The job market for clinical psychologists was extremely tight at the time. I felt fortunate to have gotten this research job. Dr. Kraaimaat also offered me the opportunity to be trained as a cognitive behavioral therapist, which I gladly accepted, although it meant basically working day and night. I would never leave the joint career path of scientist and practitioner.

Thirty years is a long time, and if I count the hours, I probably have worked about as many as I have spent sleeping, over the course of my life so far. Thinking back of those countless working hours, I remember the first manuscript I prepared for publication. It was a review paper in Dutch about the relevance of the therapist-client alliance for the effectiveness of psychotherapy. I worked long nights to process the feedback from the editor of the Dutch Journal of Psychotherapy who was quite meticulous; I believe there were ultimately three rounds of revisions, so my stamina was truly tested. This first experience would be the foreboding of a scientific writing career, in which every research paper, book chapter or review came under the scrutiny of my own and other scholars’ critical eye, within the system of academic peer review. I have now served in the role of journal reviewer and associated editor myself, thus demonstrating the beauty of academia: one generation teaches the next one the skills of research and academic writing, for free. In a world that has become so dominated by monetary value, I cherish the fact that academia still has these niches where goodness, truth and beauty prevail.

Tijdschrift voor Psychotherapie [Netherlands Journal of Psychotherapy], 13, 255-265.Psychotherapie artikel 1987

Reminiscing about three decades of labor, I feel blessed in so many ways. Yes, I worked hard, and sometimes too hard, but I was also given lots of opportunities by senior clinicians, researchers and managers in the field. I was asked to give workshops across the Netherlands and in many other countries, among them Finland and the USA. I met so many wonderful colleagues across the globe at the many different conferences and scientific meetings that I attended over the years. Many of these clinical and forensic psychologists have become friends, and we share holidays and family events whenever we can. The deep gratitude that comes with meeting like-minded professionals, who share similar interests and ideals, is one of the highlights of my working life.

I have about one decade to go before official retirement (for myself, I do not foresee an unofficial retirement). Sometimes I have been discouraged because of unfair sanctions of review boards and unbalanced media portrayals. But hey, shit happens. What keeps me going is when I get an e-mail from a former Greek student who says she’s so thankful for her training in our two-year Master’s program in Forensic Psychology, because she is using her knowledge and skills in her work at the Greek police now. What keeps me going is a letter from a prisoner, who is still grateful for the forensic mental health evaluation of him that I conducted 10 years ago. What keeps me going is a young professional who works at Veilig Thuis (Safe Home) who shares the positive effect on her work of an evidence-based interview method that we recently introduced. What keeps me going is the fact that I still observe so much misunderstanding and stigma surrounding mental health and substance use problems, domestic violence, and sexual violence (to name a few), that I believe we need to keep spreading evidence-science to the general public.

stand-up-to-stigma1

All of these work activities could not have been performed by me alone. All work is teamwork. To all my bright, dedicated and generous colleagues, I say thank you for 30 years of fulfilling labor, and I look forward to the next half🙂.

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in Wetenschap & Maatschappij | Een reactie plaatsen

Why we disagree with Brewin and Andrews

A plethora of research has shown that false memories can be elicited using various suggestive manipulations. Such false memories can be particularly dangerous in legal settings. And indeed: There are numerous cases in which innocent people were wrongfully convicted based on erroneous memories. But what is happening now? In a recent paper, Chris Brewin and Bernice Andrews want to make the case that “susceptibility to false memories of childhood events appears more limited than has been suggested”. Strong message, but we disagree. We were invited to write two commentaries on this review. They will soon be published but here they are already.

Commentary 1: (Authors: Henry Otgaar, Harald Merckelbach, Marko Jelicic, and Tom Smeets)

The Potential for False Memories is Bigger than Brewin and Andrews Suggest

Brewin and Andrews (in press; B&A) have taken up the challenge to provide a review on false memory susceptibility for childhood events. This is a daunting task as the psychological literature is replete with studies on false memories using different paradigms, different populations, and different ways of defining false memory. Although B&A are to be commended with executing such an arduous exercise, we disagree with their central message that “susceptibility to false memories of childhood events appears more limited than has been suggested” (p.1).

First, B&A’s review is selective in that it only focusses on a subset of studies employing imagination inflation, false feedback, and memory implantation to elicit false childhood memories. Moreover, B&A did not include literature on other false memory paradigms (e.g., misinformation, doctored video) that relate to autobiographical false memories and that have been informative regarding false memory propensity for childhood events. A case in point is their omission of several important imagination inflation studies; studies that have, for instance, looked at imagination inflation for action events (e.g., Goff & Roediger, 1998; Otgaar, Scoboria, Howe, Moldoveanu, & Smeets, in press). In contrast to what B&A argue, these studies did find that false memories were accompanied by high confidence. For example, Goff and Roediger (1998) stated “[t]he more errors [false memories] the subjects made, the higher their mean confidence ratings” (p.29).

One could argue that these studies did not tap into childhood events. However, imagination inflation studies on memory for actions typically involve multiple events that the participant either has to perform or imagine and these self-generated actions are – like childhood events –autobiographical in nature. If B&A had solely wanted to focus on studies concerning false memories for childhood events, then why did they include literature on the crashing memory paradigm (e.g., Smeets, Telgen, Ost, Jelicic, & Merckelbach, 2009)? This paradigm focuses on false memories for highly media-exposed, public events rather than childhood events. Likewise, B&A did not address studies on evidently wrong childhood memories, such as those of past lives (Peters, Horselenberg, Jelicic, & Merckelbach, 2007). Thus, it appears that B&A were rather selective in their inclusion of the extant literature, which makes their estimate of false memory vulnerability for childhood events provisional.

Second, a problematic selectivity also invaded B&A’s evaluation of studies that were included in their review. B&A argued that a full false memory is a memory that encompasses a belief in the occurrence of the event, recollective details, and high confidence that these details are accurate. They correctly showed that many false memory implantation studies did not measure confidence but then omitted such studies when they calculated their percentage of full false memory (15%). It would have been more balanced to explain to the reader – and potential judges and juries – that depending on the criteria that one uses, full false memory creation can range from 15% up to 46%. Clearly, this range provides a more reliable estimate of the potential to implant false memories for entire events than the lower bound percentage.

Third, it is remarkable that B&A did not examine false memories induced by misinformation (Loftus, 2005); a type of false memory that has also been regarded as an implanted false memory (Brainerd, Reyna, & Ceci, 2008). Of course, false memories induced by misinformation are often about small details and do not pertain to entire events. Yet, and in contrast to B&A’s central message, the general picture seems to be that these implanted false memories are articulated with high confidence. Some researchers even observed that people are more confident in these implanted false memories than in true memories (Takarangi, Parker, & Garry, 2006).

To examine whether implanted false memories induced by misinformation are, indeed, reported with high confidence, we conducted a small-scale review on misinformation studies that measured confidence (see Table 1). A search was performed on the Web of Science database using the search terms “misinformation”, “false memory”, and “confidence”. To be included in the review, studies were required to have used the misinformation paradigm and to have measured confidence in false memories. Of the 36 potential articles, nine papers (=12 studies) fulfilled our criteria. When reading the papers, an additional two papers (= three studies; total = 15 studies) were identified that met our criteria (i.e., Assefi & Garry, 2003; Loftus, Donders, Hoffman, & Schooler, 1989).

Although our review is by no means exhaustive, it does give a rough estimate of the relation between implanted false memories and confidence. Thus, in 93% (n =14) of the studies, implanted false memories were associated with confidence ratings exceeding the midpoint of the scale. A weighted percentage of the data revealed a mean confidence rating of 74% (unweighted 95% CI [0.66, 0.78]. Clearly then, confidence is often high in implanted false memories resulting from misinformation, a finding that runs counter to B&A’s idea that participants are often not very sure about their implanted false memories.

Thus, the picture is much more complex than B&A want the reader to believe on the basis of their selective review of the extant literature. Another issue is that B&A ignore courtroom realities, a point that we address in Smeets, Merckelbach, Jelicic, and Otgaar (2016). 

Table 1

Implanted False Memories Studies Elicited by the Misinformation Paradigm Measuring Confidence

Authors Participants (adults) Confidence Rating Scale
Loftus et al. (1989); Exp. 1 204 3.5 1 to 5
Loftus et al. (1989); Exp. 2 338 4.1 1 to 5
Pickel (1999) 86 5.13 1 to 10
Assefi & Garry (2003) 148 3.3 and 3.6 1 to 5
Mitchell et al. (2003) 51 1.49 and 2.20 (from Figure) 1 to 3
Takarangi et al. (2006); Exp. 1 40 4.04 1 to 5
Takarangi et al. (2006); Exp. 2 40 3.74 1 to 5
Paz-Alonso & Goodman (2008) 232 3.76 1 to 5
Foster et al. (2012); Exp. 1 64 3.81 1 to 5
Foster et al. (2012); Exp. 2 96 3.80 and 4.40 1 to 5
Van Damme & Seynaeve (2013) 300 3.49 1 to 5
Fenn et al. (2014) 107 3.61 1 to 8
Jack et al. (2014) 48 3.9 (from Figure) 1 to 5
Dodson et al. (2015); Exp. 1 59 76% and 84% 50% to 100%
Dodson et al. (2015); Exp. 2 96 75.3% and 76.3 50% to 100%

 

 

References

Assefi, S.L., & Garry, M. (2003). Absolut® memory distortions: Alcohol placebos influence the misinformation effect. Psychological Science, 14, 77-80.*

Brainerd, C.J., Reyna, V.F., & Ceci, S.J. (2008). Developmental reversals in false memory: A review of data and theory. Psychological Bulletin, 134, 343-382.

Brewin, C., & Andrews, B. (in press). Creating memories for false autobiographical memories in childhood: A systematic review. Applied Cognitive Psychology.

Dodson, C.S., Powers, E., & Lytell, M. (2015). Aging, confidence, and misinformation: Recalling information with the cognitive interview. Psychology and Aging, 30, 46-61.*

Fenn, K.M., Griffin, N.R., Uitvlugt, M.G., & Ravizza, S.M. (2014). The effect of Twitter exposure on false memory formation. Psychonomic Bulletin & Review, 21, 1551-1556.*

Foster, J.L., Huthwaite, T., Yesberg, J.A., Garry, M., & Loftus, E.F. (2012). Repetition, not number of sources, increases both susceptibility to misinformation and confidence in the accuracy of eyewitnesses. Acta Psychologica, 139, 320-326.*

Goff, L.M., & Roediger, H.L. (1998). Imagination inflation for action events: Repeated imaginings lead to illusory recollections. Memory & Cognition, 26, 20-33.

Jack, F., Zydervelt, S., & Zajac, R. (2014). Are co-witnesses special? Comparing the influence of co-witness and interviewer misinformation on eyewitness reports. Memory, 22, 243-255.*

Loftus, E. F. (2005). Planting misinformation in the human mind: A 30-year investigation of the malleability of memory. Learning & Memory, 12, 361–366.

Loftus, E.F., Donders, K., Hoffman, H.G., & Schooler, J.W. (1989). Creating new memories that are quickly accessed and confidently held. Memory & Cognition, 17, 607-616.*

Mitchell, K.J., Johnson, M.K., & Mather, M. (2003). Source monitoring and suggestibility to misinformation: Adult age-related differences. Applied Cognitive Psychology, 17, 107-119.*

Otgaar, H., Scoboria, A., Howe, M.L., Moldoveanu, G., & Smeets, T. (in press). Challenging memories in children and adults using an imagination inflation procedure. Psychology of Consciousness: Theory, Research, and Practice.

Paz-Alonso, P.M., & Goodman, G.S. (2008). Trauma and memory: Effects of post-event misinformation, retrieval order, and retention interval. Memory, 16, 58-75.*

Peters, M.J.V., Horselenberg, R., Jelicic, M., & Merckelbach, H. (2007). The false fame illusion in people with memories about a previous life. Consciousness and Cognition, 16, 162-169.

Pickel, K.L. (1999). Distinguishing eyewitness descriptions of perceived objects from descriptions of imagined objects. Applied Cognitive Psychology, 13, 399-413.*

Smeets, T., Telgen, S., Ost, J., Jelicic, M., & Merckelbach, H. (2009). What’s behind crashing memories? Plausibility, belief and memory in reports of having seen non-existent images. Applied Cognitive Psychology, 23, 1333-1341.

Takarangi, M.K.T., Parker, S., & Garry, M. (2006). Modernising the misinformation effect: The development of a new stimulus set. Applied Cognitive Psychology, 20, 583-590.*

Van Damme, I., & Seynaeve, L. (2013). The effect of mood on confidence in false memories. Journal of Cognitive Psychology, 25, 309-318.*

*: papers included in the review

Commentary 2: (Authors: Tom Smeets, Harald Merckelbach, Marko Jelicic, & Henry Otgaar)

Dangerously Neglecting Courtroom Realities

When looking at false memory phenomena, there are two perspectives. One could go from the lab to the court, assuming that researchers first became interested in false memories and then generalized the conclusions that could be drawn from the gathered empirical evidence to court cases in which memory accuracy of an eyewitness or victim was crucially important for justice to be served. Alternatively, one could go from the court to the lab. Evidently, many researchers in the field of false memory have taken this second route. They are familiar with cases in which innocent people were convicted based on false memories and it was this tragedy that inspired and informed their lab research (e.g., Loftus, 2002, McNally, 2012). The statistics of the Innocence Project show that in a considerable proportion of miscarriages of justice, mistaken eyewitness testimonies and false confessions play a prominent role (http://www.innocenceproject.org; e.g., Scheck, Neufeld, & Dwyer, 2001). At minimum, this suggests that the problem of false memories in courts should not be trivialized. In the U.K., a topical dissertation regarding cases brought to the Criminal Cases Review Commission (CCRC) revealed that in many of these cases, the applicant argued that a key witness (or witnesses) had been mistaken at trial (Heaton, 2013).

Many memory researchers have been inspired by legal cases featuring erroneous memory – ranging from minor (albeit non-trivial) memory distortions to full-blown false memories – to examine potential causes of false memories in eyewitnesses, victims, and defendants. These memory researchers never aspired to provide the courts with precise risk taxations but rather aimed to inform the legal arena of why and when memory errors tend to occur. To be sure, one of the problems in generalizing from the lab to the court has to do with limited research relying on clinical samples. Indeed, research on how false memories may be elicited in the laboratory by and large employed non-clinical samples of clever undergraduate students whose memory, verbal skills, and motivation may not at all be representative of individuals who end up in a court case as witnesses, victims or defendants. Consider the prototypical person taking legal actions based on recovering memories of childhood sexual abuse. Such a person is routinely in search of an explanation for current complaints such as a depression, anxiety, or an eating disorder, and it is this very need for an explanation that may render this person vulnerable to accepting seemingly plausible reasons such as childhood sexual abuse (i.e., “motivated cognition”; see Loftus & Davis, 2006; Merckelbach, 2003). It was not until studies regarding genuine and false memories in undergraduate samples had provided clues about potential causes underlying recovered memories that research started focusing on people actually reporting memories of childhood sexual abuse (McNally, 2012).

B&A’s practical message seems to be that expert witnesses should be wary when informing the legal arena about the scale on which full false memories might be induced. We would argue that this message is naïve: even if one accepts 15% as an accurate higher bound estimate of the false memory base rate induced by mildly suggestive techniques in intelligent undergraduates, this percentage is alarmingly high. B&A stress that most paradigms elicit false beliefs rather than memories and that, hence, the base rate of full false memories is lower than previously assumed. However, even if techniques such as the false feedback paradigm are more likely to elicit false beliefs than false memories, this is still perilous for legal settings. Evidence is accumulating that behavioural consequences are driven by beliefs and less by recollections (Bernstein, Scoboria, & Arnold, 2015). This suggests that a false belief of child sexual abuse might be sufficient to start a legal proceeding.

One other issue that should be considered is that expert witnesses may not be very good in determining whether a childhood memory that forms the basis for an allegation is false or accurate. After all, in terms of accompanying emotions and bodily signs false memories might appear as genuine as true memories (e.g., McNally, Lasko, Clancy, Macklin, Pitman, & Orr, 2004). Thus, all that expert witnesses can do is point at the base rates of false memories in lab studies that used mild interventions and then compare these to the interventions that might have contributed to the memory of the event that is the focus of the court case. And while there is an extensive literature on false memories in the lab – as the review by B&A nicely demonstrates –, studies on the false memory potential of routine clinical interventions are conspicuously absent. What happens if – as is done in Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR) – patients are encouraged to retrieve memories by providing them with the metaphor of memory as a perfectly recorded movie? What happens if – as is done in schema-focused therapy – patients learn that their sense of who they are (their “self”) consists of early maladaptive schema’s containing buried childhood memories? What happens when patients’ aversive memories undergo positive reinstatements? We do not know, simply because there is almost no scientific literature addressing these issues. Brewin (2015, p.21) recently advanced the idea that “psychotherapy creates new memories.” If true, legitimate follow-up questions would be whether and on what scale interventions create new memories that are false. What we do know is that therapeutic interventions sometimes harm people (Crawford, Thana, Farquharson, Palmer, Hancock, Bassett, Clarke, & Parry, 2016; Lilienfeld, 2007) and that unlike pharmacological trials, psychotherapeutic trials seldomly record adverse side effects (Parry, Crawford, & Duggan, 2016). It is this absence of vital information that should be noted as an important limitation in court reports. Indeed, future studies in this field focusing on the false memory potential of routine clinical interventions in symptomatic individuals are urgently needed.

In sum, we argue that B&A’s review is selective in the studies and in the topics it addressed and in doing so, sketches a picture that could lead researchers to incorrectly assume that outside the psychological lab, false memories have a low probability. That would be unfortunate, if only because it would neglect the realities of the courtroom in which false memories may wreak havoc in the lives of innocent people.

 

References

Bernstein, D.M., Scoboria, A., & Arnold, R. (2015). The consequences of suggesting false childhood food events. Acta Psychologica, 156, 1-7.

Brewin, C.R. (2015). Reconsolidation versus retrieval competition: Rival hypotheses to explain memory change in psychotherapy. Behavioral and Brain Sciences, 38, e4.

Brewin, C., & Andrews, B. (in press). Creating memories for false autobiographical memories in childhood: A systematic review. Applied Cognitive Psychology.

Crawford, M.J., Thana, L., Farquharson, L., Palmer, L., Hancock, E., Bassett, P., Clarke, J., & Parry, G.D. (2016). Patient experience of negative effects of psychological treatment: Results of a national survey. British Journal of Psychiatry, 208, 260-265.

Heaton, S.J. (2013). A critical evaluation of the utility of using innocence as a criterion in the post conviction process. Doctoral thesis, University of East Anglia.

Lilienfeld, S.O. (2007). Psychological treatments that cause harm. Perspectives on Psychological Science, 2, 53-70.

Loftus, E. F. (2002). Memory faults and fixes. Issues in Science and Technology, 18, 41.

Loftus, E.F. & Davis, D. (2006). Recovered memories. Annual Review of Clinical Psychology, 2, 469-498.

Merckelbach, H. (2003). Taking recovered memories to court. In P. J. van Koppen (Ed.), Adversarial versus inquisitorial justice: Psychological perspectives on criminal justice systems. Perspectives in law & psychology, Vol. 17 (pp. 119-130). New York: Kluwer Academic/Plenum Publishers.

McNally, R.J. (2012). Searching for repressed memory. In R. F. Belli (Ed.), True and false recovered memories: Toward a reconciliation of the debate (pp. 121-147). Vol. 58: Nebraska Symposium on Motivation. New York: Springer.

McNally, R.J., Lasko, N.B., Clancy, S.A., Macklin, M.L., Pitman, R.K., & Orr, S.P. (2004). Psychophysiological responding during script-driven imagery in people reporting abduction by space aliens. Psychological Science, 15, 493-497.

Parry, G.D., Crawford, M.J., & Duggan, C. (2016). Iatrogenic harm from psychological therapies – Time to move on. British Journal of Psychiatry, 208, 210-212.

Scheck, B., Neufeld, P., & Dwyer, J. (2001). Actual innocence: When justice goes wrong and how to make it right. New York: Signet Books.

Note: The published commentaries will also include abstracts and might slightly differ from the current versions.

 

Geplaatst in Uncategorized | 4 reacties

The fall of ego depletion?

Is there another crisis in psychology? If you have not heard it, a huge replication attempt on ego depletion has recently been conducted. This hypothetical state of reduced self-control has received immense empirical attention in the past decades. I have written about this replication study before and yes, we participated too. The results have just been put online and will soon be published in Perspectives on Psychological Science. In short: No convincing evidence for ego depletion was found. Nothing. Nada.

What now? The original ego depletion researchers, Roy Baumeister and Kathleen Vohs, wrote a commentary on the failed replication. Their comment in a nutshell: 1) the replication studies did not measure ego depletion, 2) there is an abundance of previous studies showing that ego depletion exists which cannot be “dismissed”. What to make of this commentary?

First of all, it is relevant to understand how such a replication study works. Martin Hagger and Nikos Chatzisarantis were the ones who proposed to conduct such a replication study. They contacted Baumeister and Vohs to agree on the task that should be used for a replication attempt. Baumeister and Vohs now stated that it was a mistake that they said “yes” to the task used. They say that although previous work has shown that this task leads to ego depletion, the task has not been frequently used in the literature and actually does not tap into ego depletion. I find this argument not really persuasive.

Why? Well, a recent meta-analysis by Evan Carter and colleagues showed that even when looking at other and more ways to induce ego depletion, still no convincing evidence exists for the effect. Ok, Baumeister and Vohs were brave enough to say that they made a mistake, but I wonder what would have happened when the replication attempt would have generated evidence for the ego depletion effect. Would they then also say the task did not measure ego depletion? I do not think so. The commentary showed that they believe so strong in ego depletion that they even argued that one just cannot dismiss all the positive findings on ego depletion.

In my view, their belief comes close to belief perseverance and confirmation bias in which negative evidence is discounted and only confirming evidence is searched for. I say this because in Carter’s meta-analysis, the point was made that the ego depletion literature suffers from publication bias. Although Carter and colleagues stated that this publication bias might perhaps not have hugely affected their meta-analytic finding, the bias exists. From my own experience, I concur. In our labs, my colleagues and I have had the same experience in which on many occasions, ‘standard’ procedures to elicit ego depletion did not evoke any reduced self-control. I guess many other labs have had the same experience.

What to do now? Baumeister and Vohs proposed to organize a preregistered multisite replication using many well-tested procedures. I applaud this initiative. By the way: there is already a preregistered study on ego depletion using a well tested procedure that has recently been published. Do you know what they found? Nothing. Nada.

 

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Where were you on Monday between 2 and 4 pm? With alibis the devil is in the detail.

In 1984, Jennifer Thompson was raped in her student flat by a stranger. Five days later, Ronald Cotton was questioned about his alibi. He explained that he was together with friends at the time of the crime. But shortly after, he changed his statement: He had slept on the couch in his mother’s house mother at the implied time. Is this statement to be trusted? Did Cotton lie initially?

The latter is what 80 percent of investigators assume, according to research conducted in the US: If suspects change their alibi later on, the most probable cause is that they lied before. To test this assumption, two American researchers asked 255 students to provide an alibi statement for four time periods in the past. Most participants, namely 88 percent, remembered the specified periods and provided a statement about their whereabouts. In the second part of the study it became trickier: participants had to provide evidence in support of their statement. In a second testing session, about one third of the participants indicated that they had been mistaken during the first session and that they had to correct their alibi. A follow-up study showed that most alibi statements contained inconsistencies. These inconsistencies were found for all aspects of the statement: the persons involved, locations, time and chronology of events. The authors conclude that inconsistencies in alibis are a natural side product of our imperfect memory that occur in suspects, much as they do in eyewitnesses.

But how did it end for Ronald Cotton? After his first statement, he realized that he had confused two weekends and therefore had to correct his alibi. In 1985, he was convicted to life in prison (partly) because his alibi was not believed. Today, we know that he was innocent, thanks to DNA evidence. He was released from prison in 1995.

Dysart, J. E., & Strange, D. (2012). Beliefs about alibis and alibi investigations: A survey of
law enforcement. Psychology, Crime & Law, 18, 11-25.
Olson, E. A., & Charman, S. D. (2012). ‘But can you prove it?’ – examining the quality of
innocent suspects’ alibis. Psychology, Crime & Law, 18, 453-471.
Strange, D., Dysart, J., & Loftus, E. F. (2014). Why errors in alibis are not necessarily
evidence of guilt. Zeitschrift für Psychologie, 222, 82-89.

Written by Melanie Sauerland, this blog was originally published in German at de.in-mind.org

Geplaatst in Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen

I am innocent and I will prove it later. No, a confession trumps all the other evidence.

If a confession is obtained, the investigation is commonly completed, followed by the trial and oftentimes the conviction of the suspect. A confession is considered the queen of evidence. But what happens when an innocent person confesses to a crime that she or he did not commit? This happens more often than one would think. But shouldn’t we then find proof of innocence? When looking at proven cases of innocent convictions, the absence of exculpatory evidence is striking. How can this be?

Let us consider the case of a woman who was raped and killed in Pennsylvania in August 1987. The police investigation focused on Barry Laughman who confessed to the murder after the police misinformed him that they had found his fingerprints at the crime scene. The blood testing showed that the perpetrator as well as the victim had type A blood. However, Laughman had type B blood. This information should have excluded him as the perpetrator. At trial, however, an alleged expert who knew about the confession introduced speculative, unfounded theories that “explained” the change in blood type. And so Laughman was convicted to life in prison.

This case demonstrates how a confession can influence the evaluation of other evidence. Such information not only has the potential to affect fingerprint evaluations, but also blood tests and even DNA analyses, as research has shown. How is that possible? Contrary to general believes, the evaluation of physical evidence comprises subjective components. Fingerprints found at the crime scene are often incomplete and DNA samples of poor quality. If this is the case, room for interpretation unfolds and the available context information (e.g., a confession) can exert its influence on the evaluation of evidence, for example when an expert is to decide whether two fingerprints are sufficiently similar. It is in these ambiguous situations that primarily cues supporting the prior hypothesis are considered (forensic confirmation bias).

Laughman was exonerated based on DNA analyses after 16 years in prison. The results of this analysis were believed, despite the confession.

Keywords: False confessions, miscarriage of justice, forensic confirmation bias

 Literature

Kassin, S. M., Bogart, D. & Kerner, J. (2012). Confessions that corrupt evidence from theDNA exoneration case files. Psychological Science, 23, 41-45. doi:10.1177/0956797611422918

Kassin, S. M., Dror, I. E. & Kukucka, J. (2013). The forensic confirmation bias: Problems,perspectives, and proposed solutions. Journal of Applied Research in Memory and Cognition, 2, 42-52. doi:10.1016/j.jarmac.2013.01.001

Written by Teresa Schneider and Melanie Sauerland, this blog was originally published in German at de.in-mind.org.

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen