De hervonden herinneringen van Griet Op de Beeck

Corine de Ruiter, Henry Otgaar en Maarten Peters

De Vlaamse schrijfster Griet Op de Beeck vertelde op maandag 25 september in De Wereld Draait Door dat ze een incestslachtoffer is. Haar vader heeft haar tussen haar vijfde en haar negende jaar seksueel misbruikt. Dit heeft zij ontdekt nadat zij in psychotherapie is gegaan, na jarenlang te lijden onder eetstoornissen, depressies en ongelukkige relaties. De schrijfster wilde openheid van zaken geven, mede in verband met het verschijnen van haar nieuwe roman, waarin incest een belangrijk thema is. De belangrijkste boodschap van Op de Beeck was dat psychotherapie haar geholpen heeft om een gelukkiger en evenwichtiger mens te worden; zij was duidelijk niet bezig om haar– inmiddels overleden– vader postuum de spreekwoordelijke doodsteek toe te brengen.

Daarna draaide de wereld een beetje door. De afgelopen week stonden de media bol van de interviews en opiniestukken over de ontboezemingen van de schrijfster. De rode draad daarin was de vraag of Op de Beeck’s herinneringen wel op waarheid berusten. Ze had immers weinig concrete herinneringen aan het seksueel misbruik in het interview prijsgegeven, ook toen Matthijs van Nieuwkerk daar expliciet naar vroeg. En de herinneringen waren ontstaan tijdens psychotherapie, ook dat maakte al bij voorbaat ‘verdacht’. Het leek alsof we even terug waren in de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw. Toen speelde er een hevige discussie: kun je traumatische herinneringen nu wel of niet verdringen? Zeker in de Verenigde Staten stond een groep therapeuten (o.a. Judith Herman, die Op de Beeck noemde in het interview) tegenover psychologen zoals Elizabeth Loftus die het bestaan van verdringing ontkrachtten. Uiteindelijk is dat debat verstomd. Van therapeuten mag anno 2017 verwacht worden dat ze de risico’s van suggestieve technieken, zoals hypnose en geleide fantasie, op het ontwikkelen van pseudo-herinneringen kennen.

De hevige consternatie rondom het incestverhaal van Griet Op de Beeck had vermeden kunnen worden door een helder onderscheid te maken tussen herinneringen in het kader van therapie en herinneringen in het kader van waarheidsvinding (meestal in de context van een gerechtelijk onderzoek). Voor een therapeut is de cliënt een subject, iemand die hulp zoekt voor psychisch lijden; de therapeut is gericht op het persoonlijke levensverhaal, zoals de cliënt dat beleefd heeft. Het doel is vergroting van inzicht en verwerking van een als belastend ervaren subjectieve werkelijkheid. Er is echter ook het gevaar dat tijdens een therapie op zoek wordt gegaan naar een verklaring voor de klachten die dan suggestief gelinkt worden aan seksueel kindermisbruik. Het gebruik van onwetenschappelijke termen zoals verdringing kan daar aan bijdragen.

Waarheidsvinding staat centraal als slachtoffers van seksueel misbruik aangifte doen tegen een verdachte. In deze gevallen is het slachtoffer dus object van (forensisch) onderzoek. Er moet worden nagegaan of de herinneringen aan het misbruik op waarheid berusten, dan wel vals zijn. Hiervoor gebruiken psychologen instrumenten voor credibility assessment, die aangeven of het meer of juist minder waarschijnlijk is dat de hervonden herinneringen op waarheid berusten. Hierbij dient vermeld te worden dat dit geen rocket science is; deze instrumenten hebben een behoorlijke foutenmarge. De rechter is dan ook terughoudend in het erkennen van hervonden herinneringen als bewijs.

Griet Op de Beeck vertelde op moedige wijze over de pijnlijke inzichten die zij gedurende haar psychotherapie heeft verworven. Haar interview en haar roman kunnen worden opgevat als een pleidooi voor openheid over seksueel misbruik binnen het gezin, waarvoor zij alle lof verdient. De focus in de media op het waarheidsgehalte van haar incestherinneringen, die weliswaar tot stand kwamen na jarenlang psychotherapeutisch graafwerk, doet niet af aan deze primaire boodschap.

Deze bijdrage verscheen op 9 oktober 2017 in Trouw.

 

 

Geplaatst in Uncategorized, Wetenschap & Maatschappij | Tags: , , , , | 1 reactie

De Biltse zedenzaak: Potentiële broedplaats voor pseudo-herinneringen

Op woensdag 16 augustus 2017 bracht het OM naar buiten dat de politie in het weekend daarvoor een 27-jarige pedagogisch medewerker van een buitenschoolse opvang in De Bilt had aangehouden. De medewerker zou onzedelijke handelingen bij zich hebben laten verrichten door twee zusjes. De verdachte bekende. De twee meisjes hadden hun ouders spontaan over de ontuchtige handelingen van de medewerker verteld, waarna de ouders aangifte hadden gedaan. Een duidelijke zaak, zou je zeggen. Wat na de bekentenis echter plaatsvond, kan een fnuikende werking op het geheugen van kinderen hebben.

In de avond van 16 augustus werden alle ouders met kinderen op de groepen waar de verdachte werkte, op de hoogte gesteld van de situatie. Er werd een bijeenkomst georganiseerd door het kinderopvangcentrum waarbij ouders informatie ontvingen over de situatie. Daarbij waren ook de politie, de GGD en het Openbaar Ministerie aanwezig. Kort daarna, op 23 augustus, kwamen er in de media berichten dat de politie naar aanleiding van de bijeenkomst nieuwe meldingen ontvangen had van andere situaties waarin mogelijk eerder misbruik heeft plaatsgevonden. Dit resulteerde in enkele nieuwe aangiften van vergelijkbare feiten. Het is bij deze nieuwe aangiften maar zeer de vraag of deze ‘spontaan’’ tot stand zijn gekomen. Het belang hiervan is groot gezien het feit dat spontane mededelingen van kinderen vaker op waarheid berusten dan niet-spontane.

De Nederlandse politie heeft een traditie van het organiseren van bijeenkomsten met ouders na aangiften van seksueel misbruik in de kinderopvang of op scholen. Een geruchtmakende zaak is die van de Da Vinci school in Zoetermeer. In de Da Vinci zaak werd na de aangifte van één kind een informatiebrief aan alle ouders van de school gestuurd. Dit leidde uiteindelijk tot aangiften van seksueel misbruik en kindermishandeling van 20 kinderen. De herinneringen van deze kinderen waren soms ronduit bizar, zoals een kind dat beweerde dat er bij het misbruik een stuk van zijn penis was afgesneden en andere kinderen die zich herinnerden dat ze naar het huis van een van de leerkrachten werden gebracht waar ze naar krokodillen moesten kijken. De gevaren van dergelijke bijeenkomsten en van het versturen van informatiebrieven aan ouders zijn inmiddels genoegzaam bekend. Ouders raken door dergelijke bijeenkomsten gealarmeerd en zullen –met de beste intenties – geneigd zijn om hun kinderen suggestieve vragen te gaan stellen, in de veronderstelling dat ze daarmee hun kinderen helpen. Jonge kinderen zijn echter zeer vatbaar voor suggestie. Nepherinneringen of pseudo-herinneringen aan misbruik liggen dan op de loer.

Zo voerde een van ons (Otgaar) een reeks experimenten uit waarbij kinderen gesuggereerd werd dat zij niet-meegemaakte gebeurtenissen hadden ervaren in hun kindertijd. Een treffend voorbeeld is het onderzoek waarbij kinderen wijs gemaakt werd dat zij op jongere leeftijd waren ontvoerd door een UFO. In dergelijke studies is gebleken dat zo’n 40% van de kinderen na twee weken claimt zich zulke nep-gebeurtenissen te herinneren en zelfs met extra details over de gebeurtenis op de proppen komt. Bij sommige van de kinderen zijn deze nep-herinneringen zo hardnekkig dat zij zich jaren later nog steeds zulke fictieve gebeurtenissen herinneren. Het is dus niet ondenkbaar dat in de huidige zaak vanwege een cocktail van geruchten, suggestieve vragen van ouders en alarmerende berichten in de media, pseudo-herinneringen aan seksueel misbruik in de hoofden van jonge kinderen zijn ontstaan.

Het ontstaan van pseudo-herinneringen aan trauma is minder onschuldig dan het lijkt. Zo toonde de Amerikaanse psycholoog Richard McNally van Harvard University aan dat mensen die herinneringen hadden dat ze in het verleden waren ontvoerd door aliens fysiologische stressreacties lieten zien (bijv. stijging van de hartslag, meer zweten) die vergelijkbaar waren met die van mensen met een posttraumatische stress stoornis (bijv. oorlogsveteranen, brandweerlieden). Je hoeft dus niet eens een écht trauma te hebben meegemaakt, om vergelijkbare “symptomen” te ontwikkelen. Geen enkele ouder zal willen dat zijn of haar kind ten onrechte gelooft en zich herinnert misbruikt te zijn, zeker niet als dit mogelijk kan leiden tot vergelijkbare emotionele en lichamelijke klachten als een echt trauma.

Het houden van informatiebijeenkomsten voor ouders klinkt als een goede zet van de kinderopvang en de politie. De politie zou er echter verstandig aan doen in dit type zedenzaken haar recherchewerk in de luwte te doen. Zolang er geen aanwijzingen zijn van misbruik van andere kinderen zouden zulke bijeenkomsten niet georganiseerd moeten worden. De verdachte medewerker is gevangen gezet, dus levert geen risico meer op voor andere kinderen. De reden van het plotselinge vertrek van de medewerker kan op een later tijdstip gegeven worden door de kinderopvang, als er meer duidelijkheid is over de omvang van het misbruik.

Opiniestuk geschreven door Corine de Ruiter, Henry Otgaar en Linsey Raymaekers. Een aangepaste versie is op 5 september 2017 verschenen in het Nederlands Dagblad.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Columbine: A Mother’s Story

School shootings are fortunately a very infrequent phenomenon. Still, the horrendous nature of these acts, and the fact that children are the perpetrators, raises questions regarding their possible causes and preventability. “Columbine” is a name that will forever be connected with one of the first school shootings that was elaborately publicized in the global media. On April 20, 1999, Dylan Klebold and Eric Harris walked into Columbine High School in Littleton, Colorado, and killed 12 fellow-students and a teacher, before committing suicide. They injured many more.

Over the years, many authors have investigated the Columbine case and the number of myths about the causes of the massacre is enormous: from violent video games to high school bullying. One of the best books I have read about the Columbine attack is Dave Cullen’s Columbine (2009). Cullen’s widely researched book debunks many of the myths and provides insight into the dynamic between Eric Harris (most likely post mortem diagnosis: psychopathic personality disorder) and Dylan Klebold (most likely post mortem diagnosis: depression), already mentioned in a Slate article (2004) five years after the massacre.

Book cover

Sue Klebold’s book, A Mother’s Reckoning (2016) is a harrowingly honest and courageous account of her struggle to come to terms with the suffering her son caused to others and to herself and her family. The book starts with the phone call Sue Klebold receives at her work from her husband Tom at 12.05 P.M. on April 20, 1999, telling her there has been a shooting at her son Dylan’s high school.  At first, she is mainly worried about her son’s safety, but as information rolls in, she starts to realize he is the perpetrator. Police officers start searching their home and journalists flock to their house like bees to a pot of honey. On that same day, Tom and Sue escape to the relative anonymity of a couple with whom they have been good friends. Sue has been a diary-keeper for years, and she uses the notes she took during this time, to share her experience of great agony during these first days after Columbine.  She is torn between the love for her deceased son and her guilt about what he did. She often apologizes to the victims and survivors, as if continually defending her right to her feelings about the tragedy.  Foremost is her disbelief at what her son did, and her fear of being somehow responsible as a parent; the latter exacerbated by reports in the press about her and Tom being ‘bad parents’ and by the legal claims victims’ families start against them.

Subsequent chapters dive into her family life, and the way she and her husband raised their two boys, Dylan and his older brother Byron. On a superficial level, they seemed like a ‘model American family’, both parents involved in a professional career, spending leisure time together outdoors and actively participating in the local community. What did strike me in her writing is the emphasis Sue Klebold and her husband put on their boys becoming “good men”. Instead of listening to them, her favored response to their inevitable transgressions (in early childhood, but also when they reached adolescence) was to tell them what they should do different or better. There is only one paragraph on p. 263 when she acknowledges that she wished she “had listened more instead of lecturing”. I believe listening to your child is a very important and underrated aspect of parenting; especially teenagers can sometimes say very little to a parent, but when they say something it is always important. Asking follow through questions at these moments can be crucial, as this book shows. One such moment, years before Columbine happened, was the time Dylan told his mother that his friend Eric Harris was “crazy”. Instead of asking her son what he meant by the word “crazy”, she starts to lecture that there are all kinds of people and some are a bit different or strange.

The second part of the book is devoted to a description of Sue Klebold’s journey to find answers to what may have caused Dylan to team up with Eric to plan the attack on their high school. She takes up contact with many American experts in the field of threat assessment, suicide and murder-suicide, and each of them help her reconstruct the puzzle. She starts to see Dylan was seriously depressed and suicidal on the basis of his diary notes during the months before Columbine. She also has a nervous breakdown herself around four years after the tragedy, suffering from symptoms of PTSD and panic attacks, in relation to giving testimony in the civil law suit against her and her husband. She is finally able to get professional help, because she doesn’t have to fear any longer that what she discloses to her therapist might be used against her in court. This aspect of her story is quite shocking and often overlooked; not only was she victimized by what her son did, but she was also blamed for it and unable to get professional help for years. A support group for survivors of suicide by a loved one brought her much needed relief.

Currently, Sue Klebold is an activist working to understand the association between mental health problems and violence. Raising mental health awareness and early intervention have become her mission. There is a moving TEDMED talk Sue Klebold on YouTube: My son was a Columbine shooter.  All profits from the book are donated to research and charitable organizations focusing on mental health issues.

Obviously, forensic psychologists learn a lot from reading relevant handbooks and scientific papers. However, this type of experience-near book is also a must-read for (aspiring) forensic psychologists. They teach us important lessons. First, think twice before blaming a parent. Second, media portrayals of forensic cases are often superficial and flawed. Third and foremost, forensic cases are always complex and multifaceted. Nothing is as it seems.

Geplaatst in Veiligheid & terrorisme, Wetenschap & Maatschappij | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Proactief signaleren

Sjoerd van Seeters is enthousiast:

… De wereld verandert en de politie moet mee. Wij willen niet wachten op een aanslag en dan pas reageren, wij proberen ze te voorkomen.

En daarom gaan alle 2500 agenten van de politie Zeeland-West-Brabant de cursus proactief signaleren (PAS) volgen, zo kondigt BN De Stem aan in twee artikelen (blendle alert). Het idee achter PAS is dat mensen die iets te verbergen hebben anders op de aanwezigheid van de politie reageren dan zij die ter goeder trouw zijn. Dus wie zich omdraait en de andere kant oploopt, heeft iets op zijn kerfstok. Als dat gebeurt, is er alle reden voor de politie om eens een gesprekje met de betreffende persoon aan te knopen. Een leugenaar laat zich dan eenvoudig ontmaskeren: hij loopt rood aan, wendt steeds het gezicht af, en draait met de ogen. Allemaal rode vlaggen.

De docent “gevaarbeheersing” die de agenten in deze beginselen gaat onderwijzen, legt uit: ,,De methode werkt”. Hoe hij dat weet? Nou, tijdens oefeningen op de stations Breda en Tilburg pikten cursisten er een man uit die niet was komen opdagen bij een DNA-test. En een winkeldief die een straf moest uitzetten. En enkele ongewenste vreemdelingen. En bovendien een jongen die was weggelopen uit een jeugdinstelling.

Hoeveel aanslagen zo voorkomen zijn, weet ik niet. Wat ik wel weet is dat soortgelijke methodes op Schiphol populair zijn. En dat Osama Krayem – een van de mannen die was betrokken bij de bloedige terroristische aanslagen in Parijs en Brussel – verklaard heeft op 13 november 2015 tevergeefs twee uur lang op Schiphol naar bagagekluizen te hebben gezocht die groot genoeg waren om wapens en explosieven in te kunnen verstoppen. Geen PASser, spotter, of profiler die hem een strobreed in de weg legde.

En toch gaan alle 2500 agenten op training om te leren dat iemand die wegloopt voor de politie iets te verbergen heeft. Waarom? Omdat Sjoerd denk dat het werkt. En trouwens, die rode vlaggen waaraan je een leugenaar kunt herkennen: da’s psychologie van de koude grond. Klopt niets van. De kernvraag is dan: moeten we onze veiligheid en burgerrechten in handen leggen van een gymleraar?

 

Zie ook: De spottersmethodiek: Too big to fail & De zomer van Sosecure

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Douwe Draaisma komt

Wanneer: Donderdag 9 maart.

Hoe laat: 20.00 uur.

Waar: Collegezaal Tongersestraat.

Waarover: De (on)betrouwbaarheid van onze herinneringen.

 

Draaisma (hoogleraar psychologie te Groningen) zal praten over zijn nieuwste boek: “Als mijn geheugen mij niet bedriegt” (zie recensie in: NRC Handelsblad). Hoofdthema in dat boek is hoe wij voortdurend ons autobiografisch geheugen herschrijven in het licht van nieuwe gebeurtenissen. Vandaar het aan Marten Toonder ontleende boekmotto: “…omdat iets wat in de jeugd gebeurd is, dikwijls het gevolg is van een voorval op latere leeftijd.”

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

An original man has passed away

In Memoriam Gerald R. Patterson (1926-2016)

door Corine de Ruiter en Ferko Öry

Onze eerste kennismaking met Oregon Social Learning Center (OSLC) en het werk van Gerald (Jerry) Roy Patterson was in het najaar van 1985, toen De Ruiter haar klinische stage liep in een counseling center in Eugene, Oregon. Het counseling center organiseerde regelmatig academische lezingen en de lezing van John Reid, die met Patterson aan de wieg stond van OSLC, is niet licht te vergeten (voor een uitgebreide geschiedenis van OSLC, zie http://www.oslc.org/about/history/). Reid vertelde met aanstekelijk enthousiasme over het innovatieve observationele onderzoek naar de ontwikkeling van antisociaal gedrag bij kinderen en de veelbelovende interventies die ze bij OSLC aan het uittesten waren. Eugene was in die jaren een hippe ‘place-to-be’; ook Ken Kesey, auteur van ‘One flew over the cuckoo’s nest’ woonde vlakbij, en kwam langs om een lezing te geven.

patterson-reid

Patterson (l) en Reid (r)

De sociale interactie leertheorie van Patterson, die hij ontwikkelde op basis van minutieuze gedragsobservaties tussen ouders en kinderen (Patterson, 1982) en longitudinaal onderzoek met 206 gezinnen uit hoog-risicobuurten (Oregon Youth Study; Capaldi & Patterson, 1987), bleek dé inspiratiebron voor bijna alle interventieprogramma’s die voor kinderen met agressief en antisociaal gedrag zijn ontwikkeld. Dit geldt onder andere voor Parent Management Training Oregon Model (PMTO), Multidimensional Treatment Foster Care (MTFC) van Patricia Chamberlain, Incredible Years van Carolyn Webster-Stratton, Triple P van Matthew Sanders, Parent Child Interaction Therapy (PCIT) van Sheila Eyberg en Stop Now and Plan (SNAP) van Leena Augimeri en collega’s.[1] In al deze programma’s staat het aanleren van effectieve opvoedingsvaardigheden aan de ouders centraal, met nadruk op het belonen van gewenst gedrag, en het bieden van structuur en verbinden van consequenties aan ongewenst gedrag. Door de verbeterde opvoedingsvaardigheden wordt de cyclus van dwingende controle (coercive control) doorbroken en wordt prosociaal gedrag bij ouders én kinderen versterkt (Thijssen, de Ruiter, & Albrecht, 2008).

Patterson onderscheidt zich van veel andere onderzoekers doordat hij vanaf het begin complexe statistische analysetechnieken gebruikte om zijn theoretische hypothesen te toetsen. Hierdoor was het mogelijk de ontwikkeling van gedrag bij kinderen en adolescenten in de tijd te volgen en causale verbanden te toetsen (zie bijvoorbeeld Forgatch, Patterson, DeGarmo, & Beldavs, 2009; Patterson, Forgatch, & DeGarmo, 2010). Ook schreef hij diverse boeken (uitgegeven door Research Press) voor ouders, waarin hij zijn onderzoeksbevindingen vertaalde naar praktische tips. Van zijn eerste boek, Living with children, zijn meer dan een half miljoen exemplaren verkocht. Hij bleef tot op hoge leeftijd, ook nadat hij formeel ‘emeritus’ was, wetenschappelijk actief (zie bijvoorbeeld: Forgatch, Patterson, & Gewirtz, 2013; Patterson, 2016).

Tijdens zijn emeritaat publiceerde Patterson twee memoires, A Guide’s Tale (2009) en Free and Moving (2012). Deze prachtig geschreven boeken laten zien hoe zijn liefde voor kanoën in de wildernis en zijn hartstocht voor de wetenschap in zijn leven met elkaar verstrengeld raakten. Hij groeide op in een kleine gemeenschap in Noord Minnesota, bij het Robinson meer. Daarvandaan ging hij in 1943 als infanterist in militaire dienst, waar hij in Okinawa deelnam aan de strijd. De oorlog en vooral het leven met oorlogservaringen, hielden hem zijn leven lang bezig, getuige het gedicht dat hieronder met instemming van zijn vrouw en collega-onderzoeker, Marion Forgatch, is weergegeven.

the-interview

To Guido & Charlie, Okinawa, April 1945

Patterson ontving vele onderscheidingen tijdens zijn leven, onder andere de Distinguished Scientist Award van de American Psychological Association en een eredoctoraat van de Universiteit van Bergen, Noorwegen. Wij ontmoetten hem in 2005 voor het eerst in Eugene, in de voorbereiding van de implementatie van PMTO in Nederland. Öry vraagt hem om iets in zijn meegebrachte boek Antisocial behavior in children and adolescents (Reid, Patterson, & Snyder, 2002), te schrijven. De drie woorden die hij opschreef, “Do it better”, tekenden zijn warme bescheidenheid.

[1] Incredible Years, Triple P, PCIT, SNAP, PMTO en MTFC zijn allemaal geïmplementeerd in Nederland.

Deze tekst zal ook verschijnen in Kind en Adolescent, 2016. DOI: 10.1007/s12453-016-0127-2

Literatuur

Capaldi, D. M., & Patterson, G. R. (1987). An approach to the problem of recruitment and retention rates for longitudinal research. Behavioral Assessment, 9, 169-177.

Forgatch, M. S., Patterson, G. R., DeGarmo, D. S., & Beldavs, Z. G. (2009). Testing the Oregon delinquency model with 9-year follow-up of the Oregon Divorce Study. Development and Psychopathology, 21, 637–660.

Forgatch, M. S., Patterson, G. R., & Gewirtz, A. H. (2013). Looking forward: The promise of widespread implementation of parent training programs. Perspectives on Psychological Science, 8, 682-694.

Patterson, G. R. (1982). Coercive family process. Eugene, OR: Castalia.

Patterson, G. R. (2016). Coercion theory: The study of change. In T. J. Dishion & J. J. Snyder (Eds.), The Oxford handbook of coercive relationship dynamics (pp. 7-22). New York, NY: Oxford University Press.

Patterson, G. R., Forgatch, M. S., & DeGarmo, D. S. (2010). Cascading effects following intervention. Development and Psychopathology, 22, 949–970.

Reid, J. B., Patterson, G. R., & Snyder, J. J. (2002). Antisocial behavior in children and adolescents: A developmental analysis and the Oregon model for intervention. Washington, DC: American Psychological Association.

Thijssen, J., de Ruiter, C., & Albrecht, G. (2008). Preventie van antisociaal gedrag bij kinderen: Parent Management Training Oregon. In J. R. M. Gerris en R. C. M. E. Engels (Red.), Vernieuwingen in jeugd en gezin: Beleidsvisies, gezinsrelaties en interventies (pp. 125-140). Assen: Van Gorcum.

Websites

Home

http://geraldrpatterson.com

https://www.researchpress.com/authors/286/dr-gerald-r-patterson

Geplaatst in Wetenschap & Maatschappij | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Bill Cosby is nu echt niet meer grappig

Bill Cosby. De bekende Afro-Amerikaanse komediant die in de jaren tachtig de raciale grenzen doorbrak met zijn televisieprogramma The Cosby Show. Vele jaren later wordt Bill Cosby verdacht van seksueel misbruik. Tientallen vrouwen beweren door hem in de jaren zeventig gedrogeerd en misbruikt te zijn. Pas in 2015 komen de meeste vermeende slachtoffers er voor uit.

Goede zaak zou je kunnen zeggen. Dat dacht Senator Connie Leyva van Californië ook. En vanwege de Cosby zaak stelde zij een wetsvoorstel op. De crux van het wetsvoorstel is dat er geen verjaringstermijn meer bestaat om verdachten van seksueel misbruik te vervolgen. In simpel Nederlands: een vrouw die bijvoorbeeld vijftig jaar geleden is verkracht door haar zwemleraar, maar er nooit voor is uitgekomen, kan nu alsnog een zaak aanspannen tegen hem. Goede zaak?

Verschillende psychologen, zoals de bekende Amerikaanse psychologe Elizabeth Loftus, hebben een aantal weken geleden een brief ondertekend waarin ze bezwaar aantekenen tegen het wetsvoorstel. Ik tekende trouwens ook. Dat heeft te maken met hoe ons geheugen functioneert. Zaken zoals seksueel misbruik bestaan dikwijls uitsluitend uit verklaringen van vermeende slachtoffers. Om tot vervolging over te gaan dienen rechters overtuigd te zijn dat de verklaringen verwijzen naar een accurate herinnering. En daar zit het probleem. Onze herinneringen vervagen naarmate de tijd vordert. Buiten dat zijn ze zeer vatbaar voor beïnvloeding zoals gesprekken met of suggestieve wenken van anderen. De kans op een foutieve herinnering neemt toe naarmate je langer wacht. En daardoor neemt de kans op een valse beschuldiging ook toe.

Je zou denken dat de gouverneur van Californië, Jerry Brown, gevoelig zou zijn voor onze brief. Nee hoor. Een aantal dagen geleden ondertekende Jerry het wetsvoorstel. Het is nu maar wachten totdat iemand onterecht wordt beschuldigd. Nee, Bill Cosby is nu echt niet meer grappig.

Geplaatst in Wetenschap & Maatschappij | Een reactie plaatsen

Opgelicht?! opgelicht

Er was al dat bedrijf gespecialiseerd in fraudedetectie dat zich schuldig maakte aan misleiding. Toen was er de afdeling Integriteitszaken van Delta Lloyd die zaken deed met dat oneerlijke bedrijf. Nieuw in dit illustere rijtje: het TV programma Opgelicht?! is opgelicht.

De aflevering van afgelopen dinsdag ging onder andere over een bende oplichters die vrouwen geld afhandig maakte. Onder de verdachte was ook een vrouw die voor de camera een uitgebreide verklaring aflegde. De waarachtigheid van deze verklaring werd door een expert – een heuse luitenant-kolonel – met de Forensic Voice Stress Analyzer (FVSA) getest. Voor de expert was het overduidelijk: het verhaal was van begin tot eind gelogen.

Bij Opgelicht?! wisten ze blijkbaar niet dat er geen enkel bewijs is dat op stem gebaseerde leugendetectie werkt, en dat de mensen die het aanbieden eigenlijk gewoon geldkloppers zijn. Dus stelde ik de redactie van het programma daarvan op de hoogte. Ik kreeg een mail terug van verslaggever Marco Kamphuis. Geen bedankje. Integendeel. Kamphuis volgde de lijn van doorgewinterde complotdenkers:

  • Wij gebruikten niet de Israëlische LVA, maar de Australische FVSA. Uw bezwaren zijn dus helemaal niet van toepassing.
  • Ik verzoek u de bewering dat het system niet deugt met relevante onderzoeken te ondersteunen. Daarbij verzoek ik u alle onderzoeken mee te nemen en niet alleen te refereren naar onderzoeken die uw stelling onderschrijven, zoals u dat bij de LVA deed.
  • Het systeem geldt in verschillende landen, waaronder de VS, als wettig bewijsmiddel. Dat was voor mij als journalist voldoende reden om met dit systeem de analyse te laten doen.

Nou ben ik de beroerdste niet en schreef ik Marko Kamphuis terug dat ik niet zo onder de indruk was van het de-ene-homeopathische-dosering-is-de-andere-niet argument. En dat ik openstond voor wetenschappelijk onderzoek dat laat zien dat de FVSA wel leugens kan detecteren. Maar waar dat dan was. De bewijslast rust immers op de schouders van mensen die het apparaat gebruiken of laten gebruiken. Of vinden ze bij Opgelicht?! ook dat bijvoorbeeld alternatieve geneeswijzen acceptabel zijn zolang nog niet uit onderzoek is gebleken dat ze geen enkele geneeskundige werking hebben?

Ook schreef ik dat ik weinig onder de indruk was van het bewijsmiddel-argument. Op de eerste plaats: als het al zo is dat het als bewijsmiddel wordt geaccepteerd, zegt dat nog weinig. Niet alles wat in de rechtszaal als fidele techniek wordt gepresenteerd is dat ook, zo blijkt uit een recent rapport. Op de tweede plaats omdat het mij – gezien de Amerikaanse jurisprudentie (bijvoorbeeld deze, deze, en deze) – erg onwaarschijnlijk lijkt dat in dat land leugendetectie via de stem in de rechtbank als bewijs wordt geaccepteerd. Maar dat ik open stond voor een verwijzing naar een zaak waarin het daadwerkelijk als bewijs geaccepteerd was.

Toen bleef het stil. Ik informeerde nog eens, en kreeg ik een kribbig mailtje van Marco Kamphuis retour met een gegooglede Latijnse spreuk. Affirmanti incumbit probatio om precies te zijn. En het bericht dat hij wel iets beters te doen had. Hij zal wel druk zijn met zijn opleiding journalistiek.

Opgelicht?! houdt een kleine miljoen kijkers voor dat op stem gebaseerde leugendetectie werkt. Maar de redactie van het programma kan de werkzaamheid van het apparaat op geen enkele manier onderbouwen. De redactie wil vast geen mensen op verkeerde ideeën brengen. Het zou daarom het programma sieren als het in de volgende uitzending – en op de webpagina – een kritische noot zouden plaatsen. Een rectificatie zeg maar. En dat ze Marco Kamphuis nog eens uitlegt dat er kritische kijkers bestaan die je best vriendelijk te woord mag staan. En dat je niet moet bluffen met Latijnse citaten als je niet op het gymnasium hebt gezeten.

Geplaatst in Uncategorized | 4 reacties

Commentaar op de reactie van recherchepsycholoog Cleo Brandt

Recherchepsycholoog Cleo Brandt reageerde op 8 augustus 2016 op onze blog over fataal partnergeweld in Nederland. We bedanken Cleo voor haar reactie en zullen hieronder een aantal aspecten van haar reactie van commentaar voorzien.

Ten eerste beweert Brandt dat wij onvoldoende onderscheid aanbrengen tussen huiselijk geweld tijdens de relatie en ex-partner stalking. Het klopt dat de plegers van fataal partnergeweld niet allemaal hetzelfde ‘risicoprofiel’ hebben, maar bij beide vormen speelt de vraag hoe je het beste kunt voorkomen dat er uiteindelijk dodelijk geweld volgt. Wij hebben er bewust voor gekozen ons te richten op zaken van fataal (ex-)partnergeweld in Nederland, waarbij sprake was van eerdere bedreigingen (tijdens en/of na de relatie) en soms ook stalking. Het gaat ons om de ernst van de uitkomst: het overlijden van het slachtoffer/de (ex-)partner, terwijl er voorafgaand aan het dodelijke geweld serieuze signalen van escalerende bedreigingen, stalking en/of fysiek geweld waren. Wij kunnen ons volledig vinden in de uitspraak van Brandt waarin ze stelt: “De noodzaak om juist die zaken te identificeren waar het risico op dodelijk geweld het grootst is, is evident.” Brandt verwijst naar de SASH als een relevant risicotaxatie-instrument bij stalking, maar dit instrument is niet specifiek geschikt voor ex-partner stalking (zie deze website). Het richt zich op alle vormen van stalking: ex-intieme partners, kennissen (waaronder vrienden en familieleden), of vreemden (publieke figuren of onbekende vreemden). Bovendien geeft Brandt zelf trainingen in het gebruik van de SASH, zoals blijkt uit de website van de RINO Groep. In de wetenschap noemt men dit een conflict of interest. Volgens goed gebruik had Brandt deze belangenverstrengeling dienen te vermelden in haar reactie, omdat dit mogelijk haar objectiviteit ten aanzien van andere risicotaxatie-instrumenten, zoals de Lethality Screen, aantast.

 

Brandt heeft bezwaren tegen de Lethality Screen die wij onterecht vinden. Zij beroept zich daarbij op de meningen van andere autoriteiten op het gebied van risicotaxatie van huiselijk geweld, zoals Storey en Hart (2014) en Nicholls et al. (2013). Brandt beweert bijvoorbeeld dat haar lage specificiteit de Lethality Screen ongeschikt maakt voor de politie. Sensitiviteit en specificiteit zijn op zich geen kenmerken van een instrument, maar altijd afhankelijk van de base rate (de mate waarin het gedrag voorkomt in de populatie; in dit geval gaat het om de base rate van fataal partnergeweld), en van het afkappunt van het instrument dat gebruikt wordt. De base rate is in dit geval per definitie zeer laag (gelukkig maar!), en dat maakt fataal partnergeweld dus sowieso moeilijk te voorspellen, omdat zeldzaam voorkomend gedrag nou eenmaal lastiger te voorspellen is dan veelvoorkomend gedrag.

Brandt haalt de studie van Messing en collega’s (2015) aan als ‘bewijs’ voor de zwakke specificiteit van de Lethality Screen. In het artikel van Messing et al. (2015) staat een belangrijke tabel (Table 2), die we hier integraal weergeven, om duidelijk te maken waarom de Lethality Screen, in tegenstelling tot wat Brandt beweert, wel degelijk zeer relevant kan zijn voor de politie in Nederland.

Table 2 Lethality Screen findings

Overgenomen uit Messing et al. (2015)

 

Twee maten voor predictieve nauwkeurigheid die relevant zijn voor de forensische risicotaxatie zijn de Positieve Predictieve Waarde (Positive Predictive Value; PPV) en de Negatieve Predictieve Waarde (Negative Predictive Value; NPV). De PPV is de proportie van degenen die als hoog risico beoordeeld zijn op basis van het risicotaxatie-instrument, die daarna ook daadwerkelijk een delict pleegt, terwijl de NPV verwijst naar de proportie van hen die als laag risico zijn beoordeeld, die geen nieuw delict pleegt. Een instrument met een hoge PPV kan dan geselecteerd worden om in de forensische praktijk hoog-risico gevallen te detecteren; een instrument met een hoge NPV kan gebruikt worden om laag-risicogevallen uit te filteren. Uit de tabel blijkt dat van de 28 gevallen van ‘near fatal violence’ (dat was de gekozen uitkomstmaat in dit onderzoek) er 26 correct aangeduid waren door de Lethality Screen, dat is 93%. Deze waarde vertegenwoordigt de zogenaamde Positive Predictive Value (PPV) en dit is de meest relevante parameter voor het beoordelen van de waarde van een risicotaxatie-instrument voor de praktijk (Singh, 2013). Deze PPV is voor de Lethality Screen dus heel hoog. Dat de Lethality Screen ook een groot aantal vals positieve beoordelingen opleverde (dus een lage NPV van 21%, d.w.z 46/216) is juist, maar voor toeleiding naar hulp/interventie en ‘empowerment’ voor het slachtoffer is een hoge PPV belangrijker dan een hoge NPV. Er is altijd sprake van een trade-off tussen PPV en NPV. Door het afkappunt van een instrument te verhogen of juist te verlagen, kunnen de PPV en NPV veranderd worden, afhankelijk van de wensen in de praktijk. In dit geval is het uiteindelijke gedrag (fataal partnergeweld) zo ernstig, dat wij van mening zijn dat een hoge PPV te prefereren is boven een hoge NPV, onder het motto: ‘better safe than sorry’.

Met het aanreiken van de Lethality Screen hebben wij overigens niet betoogd dat dit de enige juiste tool voorhanden is, maar wel eentje die tot de mogelijkheden behoort en al wetenschappelijk is onderzocht. Los van de vraag welk instrument het meest geschikt zou zijn om het risico voor deze potentiële slachtoffers te taxeren, is de belangrijkste boodschap van onze blog dat de politie het, veel meer dan nu het geval is, tot haar primaire taak zou moeten rekenen om deze slachtoffers te beschermen.

Naar aanleiding van onze blog hebben wij diverse reacties van (gelukkig nog in leven zijnde) slachtoffers van stalking en bedreiging ontvangen. Deze mensen mailden ons dat de politie, net als in de zaak Linda van der Giesen en de andere door ons gememoreerde zaken, niets concreets heeft ondernomen. De politie heeft richtlijnen en werkinstructies voor stalking en huiselijk geweld situaties, maar dit is precies wat het zijn: richtlijnen, die niet verplicht zijn (zoals ook blijkt uit het politie rapport over de zaak Linda van der Giesen). Met louter vrijblijvende richtlijnen is de politie een onbetrouwbare ketenpartner in het voorkomen van fataal partnergeweld. Wat ons betreft is naast gebruikt van een risicotaxatie-instrument, zoals de Lethality Screen, een beleidsverandering nodig.

 

Literatuur

Messing, J.T., Campbell, J., Wilson, J.S., Brown, S., & Patchell, B. (2015). The Lethality Screen: The predictive validity of an intimate partner violence risk assessment for use by first responders. Journal of Interpersonal Violence, 1-22. doi: 10.1177/0886260515585540

Nicholls, T. L., Pritchard, M. M., Reeves, K. A., & Hilterman, E. (2013). Risk assessment in intimate partner violence: A systematic review of contemporary approaches. Partner Abuse, 4, 76-168.

Singh, J. P. (2013). Predictive validity performance indicators in violence risk assessment: A methodological primer. Behavioral Sciences & the Law, 31, 8-22.

Storey, J.E., & Hart, S.D. (2014). An examination of the danger assessment as a victim-based risk assessment instrument for lethal intimate partner violence. Journal of Threat Assessment and Management, 1, 56–66. doi:10.1037/tam0000002

Geplaatst in Veiligheid & terrorisme, Wetenschap & Maatschappij | Tags: , , | 1 reactie

Fataal partnergeweld tegen vrouwen: Niet verwijtbaar wel vermijdbaar

door Colinda Serie en Corine de Ruiter

Het CBS kopte vorige week met positief nieuws: Nederland heeft het laagste aantal moorden in 20 jaar. In datzelfde zogenaamd positieve bericht, staan echter ook zeer verontrustende cijfers over dodelijk geweld tegen vrouwen: Meer dan de helft van de vermoorde vrouwen werd om het leven gebracht door de eigen partner of een ex.

Deze gevallen van fataal partnergeweld tegen vrouwen halen regelmatig de landelijke media en schokken de maatschappij. Zo’n geval is de zaak Linda van der Giesen, die door haar ex werd doodgeschoten. In die zaak deed een onafhankelijke commissie onderzoek en die concludeerde in haar onderzoeksrapport dat de politie een inschattingsfout heeft gemaakt in het beschermen van Linda. Zij werd op 10 augustus 2015 doodgeschoten door haar ex-partner, terwijl zij 10 dagen eerder al aangifte had gedaan van stalking en bedreiging.

Relatie-van-slachtoffers-van-moord-en-doodslag-met-de-dader-2011-2015-16-07-27

Bron: CBS, 2016

Vanwege de enorme gevolgen voor de nabestaanden, met name het 5-jarige zoontje van Linda, hebben de vader van het zoontje en zijn advocaat Peter Schouten gestuurd op een onafhankelijk onderzoek naar deze zaak (zie de aflevering van Pauw, 17 mei 2016: http://pauw.vara.nl/media/357414). In haar rapport schrijft de Commissie Eenhoorn dat “De aangifte, in combinatie met de overige informatie, had moeten leiden tot (grote) urgentie en een (snelle) interventie in deze zaak” (p. 20). De Commissie noemt het handelen van de politie echter niet verwijtbaar, wel vermijdbaar. Er zou te weinig kritisch worden gekeken naar de huidige werkwijze en te weinig gedaan om die te verbeteren.

De taken van de politie zijn divers. Naast het opsporen van strafbare feiten en het bewaken van de openbare orde valt ook het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven (volgens art. 3 Politiewet) onder haar taken. De Commissie Eenhoorn is van mening dat de politie in de zaak Van der Giesen te veel gericht was op haar opsporingstaak en te weinig op haar hulpverlenende taak. Zo is er bij de aangifte van Linda geen dreigingsanalyse verricht, concludeert de commissie. Hoewel deze moeilijk te vinden zijn en niet standaard worden gebruikt, beschikt de politie wel degelijk over hulpmiddelen voor zo’n analyse, aldus de commissie (zie p. 12 van het commissie rapport). Zo bestaat er de Checklist bij Stalking, die bestaat uit 10 vragen omtrent de stalking situatie, waaronder: “Hebben stalker en slachtoffer een intieme relatie gehad?”, “Heeft de stalker gedreigd met moord of zelfmoord?”, en “Is het slachtoffer erg bang?”. De checklist geeft aan dat hoe vaker er “ja” wordt geantwoord op deze vragen, hoe groter het risico voor het slachtoffer.

Wanneer de commissie de casus Linda analyseert aan de hand van deze checklist, komt zij acht van de tien keer uit op een “ja”, waaruit naar voren komt dat er een concrete dreiging met geweld bestond. Conform de werkinstructie ‘Stalking’ (zie p. 11 van het commissie rapport en p. 7-8 van het politierapport) had de politie vervolgens beschermende maatregelen moeten bespreken met Linda. In het  rapport dat de politie zelf over deze zaak heeft geschreven, wordt uitgelegd waarom er geen dreigingsanalyse is gemaakt, zoals het protocol wel voorschrijft. De politie geeft aan dat de protocollen een beperkte werking hebben, moeilijk toepasbaar, tijdrovend en te gedetailleerd zijn. In lijn hiermee concluderen ze dat politiemedewerkers voornamelijk handelen op basis van ervaring en gevoel.  Dat politiemedewerkers te veel op hun gevoel vertrouwen blijkt ook op andere terreinen, zoals leugendetectie. Zo toont onderzoek aan dat politiemedewerkers vertrouwen dat zij leugens goed kunnen detecteren,  maar dit vertrouwen is niet gerelateerd aan hun accuraatheid  (Mann, Vrij, & Bull, 2004; Vrij & Mann, 2001).

Alamy stalking

Foto: ALAMY

Wij vroegen ons af hoe representatief de zaak Linda van der Giesen eigenlijk is in Nederland anno 2016. Met andere woorden: hoeveel van dit type zaken van dodelijk geweld door (ex-)partners halen niet de landelijke media, en worden ook niet systematisch en uitgebreid onderzocht door een overheidscommissie? Uit ons onderzoek blijkt dat de zaak van Linda van der Giesen helaas niet uniek is.

In Nederland worden jaarlijks ongeveer 64.000 incidenten en 20.000 misdrijven van huiselijk geweld tegen (ex-) partners geregistreerd door de politie. Jaarlijks leiden bedreiging, mishandeling en stalking door een (ex-) partner tot ongeveer 17.000 aangiften (zie p. 8 van het politierapport). Koenraadt en Liem publiceerden in 2010 een artikel over het aantal slachtoffers van fataal huiselijk geweld over de periode 1992-2009, op basis van de Moord en Doodslag Monitor en de Databank Doding in Gezinsverband. Zij concludeerden dat er jaarlijks ongeveer 40 slachtoffers vallen door (ex-)partnerdoding, wat bijna een vijfde van alle levensdelicten in Nederland in die periode was (Koenraadt & Liem, 2010).

Wij gingen vervolgens op zoek naar casuïstiek vanaf januari 2010 tot heden via internet en vonden met behulp van diverse moord- en doodslaglijsten 153 vrouwelijke slachtoffers van (ex-) partnerdoding. Enkele hiervan lijken op de zaak Van der Giesen. Na een oppervlakkige analyse detecteerden wij 25 zaken die op het eerste gezicht gelijkenissen vertonen met de zaak Van der Giesen. Een treffend voorbeeld is de zaak van Raja Draaisma die werd doodgeschoten door haar ex-vriend in juni 2015. Raja had, net als Linda, al meerdere malen contact gezocht met de politie en vertelde hen dat haar ex in het bezit was van een vuurwapen en haar afluisterde. Typerend is ook de zaak van de 17-jarige Juliette Bouhof die in oktober 2014 door haar 22-jarige ex-vriend werd vermoord, nadat zij een maand eerder aangifte tegen hem had gedaan wegens bedreigingen. Hij had kort voor haar dood een straatverbod gekregen, maar dit bleek onvoldoende om Juliette te beschermen. In 2013 werd Wendy Rutjes vermoord door haar ex-vriend. Hij stalkte en bedreigde haar; zo had hij haar auto onbestuurbaar gemaakt en haar kat opgehangen. Ook in deze zaak werd eerder aangifte gedaan bij de politie door het slachtoffer. In datzelfde jaar werd de 19-jarige Saga Backman neergestoken door haar ex-vriend. Opnieuw had het slachtoffer eerder aangifte gedaan wegens stalking en bedreiging.

In al deze zaken van partnerdoding hebben meldingen en aangiftes van het slachtoffer geen enkel effect gehad. Hoewel justitie in sommige zaken wel stappen ondernam, zoals het opleggen van een straatverbod aan de stalker/bedreiger, bleek dit onvoldoende ten opzichte van het hoge risico op dodelijk geweld dat deze slachtoffers liepen. Gebruik van een gevalideerde risicoscreening zou de politie kunnen helpen om uit het grote aantal aangiften van stalking en bedreiging door (ex-)partners die zaken te vissen die echt high risk zijn. Hoewel de Checklist Stalking een stap in de goede richting is, is dit instrument alleen gericht op stalking, lijkt het niet structureel te worden toegepast en is het bovendien niet wetenschappelijk onderzocht.

Een voorbeeld van een breed inzetbaar, gevalideerd en gestructureerd instrument is de Lethality Screen, ontwikkeld door Dr. Jill Messing van de Arizona State University. Dit instrument biedt de mogelijkheid om het risico op dodelijk /ernstig huiselijk geweld gestructureerd in te schatten op basis van dreigingen en eerdere incidenten. Het is een kort (11 items) en eenvoudig instrument, dat al tijdens de (telefonische )intake of door de politie ter plekke na een melding van een incident van huiselijk geweld, kan worden gebruikt.  Bovendien geeft de uitkomst van het instrument aan welke stappen er ondernomen kunnen worden door de politie en het slachtoffer om veiligheid te creëren. Op deze manier biedt de screening direct een korte educatieve interventie over het risico voor het slachtoffer, directe beschermingsmaatregelen en spoort het het slachtoffer aan tot het zoeken van hulp.

Lethality screen

Bron: mnadv.org

De Lethality Screen past naadloos in de aanbevelingen van de commissie Eenhoorn om het potentieel van de Intake & Service afdeling van de politie beter te benutten, en in alle fasen na een melding of aangifte van dreiging, stalking of fysiek geweld een afweging van het risico op dodelijk/ernstig geweld voor het slachtoffer te maken. Vanuit de Universiteit Maastricht hebben wij een prototype van een mobiele app van de Lethality Screen gemaakt. Wij nodigen de politie van harte uit om met ons een pilot te gaan draaien met deze app, zodat het aantal vermijdbare slachtoffers van dodelijk (ex-)partnergeweld verminderd wordt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in Veiligheid & terrorisme | Tags: , | 4 reacties