Mediation lost de vechtscheiding niet op

Opiniebijdrage in Trouw, 6 februari 2016

Mediation wordt gepropageerd als hét middel bij conflictscheidingen. Ten onrechte, beweren Corine de Ruiter en Ferko Öry. De feiten onderzoeken is veel belangrijker.

Het kabinet is sinds een paar jaar zeer actief om de situatie van kinderen bij een vechtscheiding te verbeteren. Een terugkerend thema is mediation. Er ligt zelfs een wetsvoorstel voor verplichte mediation bij echtscheidingen, dat door een aantal politieke partijen wordt gesteund. Maar mediation werkt bij de meeste vechtscheidingen niet en kan gevaarlijk zijn. Er bestaat een aantal hardnekkige mythen over conflictscheidingen. Die mythen domineren het debat en belemmeren effectieve oplossingen voor dit complexe probleem. Ten eerste is er de mythe dat omgang met beide ouders altijd het beste is voor elk kind. Op basis van deze mythe is de echtscheidingswetgeving de afgelopen jaren gewijzigd. In 2009 werd het verplichte ouderschapsplan ingevoerd, waardoor ouders pas mogen scheiden als er een gezamenlijk opgesteld ouderschapsplan is overeengekomen. De invoering van dit ouderschapsplan heeft echter niet geleid tot minder vechtscheidingen, integendeel, stelt de jurist Marit Tomassen-van der Lans in haar proefschrift in 2015.

images

Een tweede mythe is het idee dat mediation helpt in het voorkomen van vechtscheidingen. Mediation wordt zelfs gepromoot als dé oplossing voor conflictscheidingen. Niets is minder waar. Het WODC concludeerde in 2015 dat “het voorbarig is om conclusies te trekken ten aanzien van effectiviteit van mediation en scheidingseducatie in het voorkomen van vechtscheidingen met het oog op het verbeteren van het welzijn van het kind en dat de bevindingen van de onderzochte studies niet bemoedigend zijn”. Uit recent onderzoek uit Noorwegen, waar sinds 1991 verplichte mediation bij wet is ingevoerd, blijkt dat bij 63 procent van de conflict-scheidingsparen de mediation vroegtijdig stopte zonder dat het tot concrete afspraken kwam, tegenover 12 procent van de ‘normale’ paren.

Feiten achterhalen

Een conflictscheiding is een ingewikkeld probleem waarbij sprake kan zijn van narcistische en borderline-persoonlijkheidsstoornissen bij één of beide ex-partners, een voorgeschiedenis van ernstig relationeel geweld, beschuldigingen en vermoedens van kindermishandeling, en ouders die het kind proberen te vervreemden van de andere ouder door kwaadsprekerij. Voorafgaand aan enige vorm van hulp dienen de feiten achterhaald te worden, ook wel ‘waarheidsvinding’ genoemd. Dat dit vaak een reconstructie achteraf is, op basis van meerdere en verschillende informatiebronnen, doet daar niet aan af. Feitenonderzoek betekent onderzoek naar de voorgeschiedenis van geweld in de partnerrelatie, met een gestructureerde interviewmethode. De twee voormalige echtelieden worden ieder apart gesproken en wanneer er grote discrepanties bestaan tussen de verhalen van beiden, dienen ook andere informatiebronnen geraadpleegd te worden, zoals politiegegevens, medische dossiers, en gesprekken met personen uit het sociale netwerk. Op deze wijze ontstaat inzicht in de aard van de machtsverhouding tussen de ex-partners, welke vormen van geweld er gespeeld hebben of nog spelen, of er sprake is van psychische of verslavingsproblemen. Zonder gedegen feitenonderzoek naar geweld in de partnerrelatie door forensisch geschoolde professionals, kunnen de belangen van het kind in een conflictscheiding niet gewaarborgd worden. Ook als er door een van de ex-partners beschuldigingen geuit worden over kindermishandeling door de andere partner, zullen die feitelijk onderzocht moeten worden. Dat stelde overigens ook de Kinderombudsman al in het rapport ‘Is de zorg gegrond?’ uit december 2013. Ook de Inspectie voor de Gezondheidszorg uit in haar Jaarbericht over 2014 grote zorgen over het tekort aan waarheidsvinding binnen de jeugdzorg, inclusief de Raad voor de Kinderbescherming. Het is de hoogste tijd dat feiten in plaats van mythen leidend worden in de aanpak van conflictscheidingen in Nederland.

Geplaatst in Wetenschap & Maatschappij | Tags: , , , , | 2 reacties

Ken je zaak (niet)

Er bestaat die tegeltjeswijsheid dat wie slechts de helft van een zaak kent, eigenlijk niets weet. Maar klopt dat wel? Is het wellicht beter om helemaal niets te weten van een zaak? Een voorbeeld. Bruce wilt wat geld storten bij de plaatselijke bank. Eenmaal binnen ziet hij een man met een bivakmuts de bank binnenstormen. Zwaaiend met een geweer schreeuwt hij dat iedereen op de grond moet liggen. De overvaller slaagt erin een flinke buit mee te nemen. Een aantal dagen later vraagt de politie aan Bruce of hij mee wilt komen naar het politiebureau. Om hem wat vragen te stellen over de overval. Rechercheur Robert heeft de zaak goed voorbereid. Hij heeft de stukken van de zaak goed doorgelezen. Een gedegen voorbereiding is namelijk aan te bevelen voor het getuigenverhoor. Denkt Robert.

Interviews met getuigen worden doorgaans goed voorbereid. De politieagent die een interview afneemt, heeft zich doorgaans goed ingelezen in de zaak. Om zo goede vragen te kunnen stellen. Niets mis mee met zo’n voorbereiding, zou je zeggen. Maar kan achtergrondkennis ook nadelig zijn? Volgens recent onderzoek wel. Zo lieten de Amerikaanse psychologen Murrie en collega’s zien dat het voor forensisch psychologen uitmaakt of ze kennis hebben voor wie ze werken: een advocaat of officier van justitie. De onderzoekers lieten forensisch psychologen zaakdossiers lezen over seksueel delinquenten. Wanneer forensisch psychologen het idee hadden dat ze voor een advocaat werkten, gaven ze lagere recidivescores dan wanneer ze dachten dat ze voor een officier van justitie werkten. Een allegiance bias noemden de onderzoekers dat.

Dat biases de oordeelsvorming vertroebelen, weten we allang. Zo wordt bij de politie gewaarschuwd voor tunnelvisie of de confirmation bias: dat je alleen op zoek gaat naar bewijs dat jouw hypothese bevestigt en bewijs negeert dat jouw hypothese verwerpt. Vandaar dat een line-up of Oslo-confrontatie dubbelblind dient te worden uitgevoerd. De politieagent die een line-up uitvoert, weet bijvoorbeeld niet wie de verdachte is in een line-up. Zo voorkom je dat een politieagent onbewust aan een getuige laat weten wie de verdachte is. Waardoor de kans op onjuiste identificaties kleiner wordt. Maar hoe zit het dan bij getuigenverhoren?

Ook daar schijnt achtergrondkennis over een zaak hinderlijk te zijn. In een pas geaccepteerd artikel van de Amerikaanse psychologen Rivard en collega’s werd aangetoond dat “blinde” interviewers het beter doen dan interviewers met zaakkennis. Interviewers die niets afwisten van een zaak lokte meer correcte informatie uit dan interviewers die zich wel hadden voorbereid. Ook stelde interviewers die zich hadden voorbereid vaker een suggestieve vraag aan het begin van een verhoor dan blinde interviewers. Achtergrondkennis over een zaak kan dus interviewers beperken in het stellen van vragen. Wat is de verklaring hiervoor? Heeft allemaal te maken met verwachtingseffecten. Interviewers met zaakkennis hebben verwachtingen over de zaak en die verwachtingen vertroebelen de manier van interviewen.

En Robert? Die had Bruce toch beter geïnterviewd zonder enige voorbereiding. Had hij betere vragen gesteld. En juiste verklaringen gekregen. Zou hem ook meer tijd hebben gegeven om andere zaken te doen. Zoals boeven vangen.

Geplaatst in Wetenschap & Maatschappij | 3 reacties

Have you become a witness? Do it yourself and conduct your own interview

Shortly after the crime, investigators discover fingerprints and trails of blood at the crime scene that could stem from the perpetrator. Yet, two weeks pass until experts finally collect these traces. Who would expect them to still find anything of use? What seems really strange, even unthinkable, when it comes to handling physical evidence, is business as usual when the police deal with eyewitness evidence. In this blog we will present a remedy for this, a new method ensuring immediate recording of eyewitness accounts.

Due to limited police resources, witnesses are often interviewed with a delay of days or weeks after the crime occurred. In this case, witnesses can be expected to roughly recall the incident, while specific details, such as the license plate number, are likely to be forgotten at this stage. However, specific details are often most relevant for solving a case. Forgotten information is lost to the investigators just as fingerprints that were wiped away before they are collected. Hence, witnesses’ recollections should be treated just as physical evidence – they should be secured, that is, recorded in an interview, immediately after the crime.

But what if this is not possible due to limited police resources? In this case witnesses can interview themselves with the Self-Administered Interview (SAI; Dutch: Zelfrapportage voor Getuigen, ZeG). This booklet is distributed to witnesses at the crime scene where they complete it in writing, literally interviewing themselves. The SAI contains several recall-enhancing instructions, including mentally reinstating the incident before writing down the recollections. The tool is suitable for all types of crime. It consists of several sections in which the incident, the perpetrator(s), potential vehicles, further witnesses, and the witnessing conditions can be described. Moreover, witnesses are asked to draw a sketch of the scene. The evaluation of the SAI is positive: Immediately after the crime, it elicits comprehensive and accurate statements that can be used for investigation purposes. Furthermore, research has shown that witnesses who first completed an SAI perform better in a subsequent interview. That is, the SAI preserves the witness’ memory for a later interview. As such, it supports the police during the investigations. The tool is already in use in a few countries, among them the UK, Norway and the Netherlands.

References:

Hope, L., Gabbert, F., & Fisher, R. P. (2011). From laboratory to the street: Capturing witness memory using the Self-Administered Interview. Legal and Criminological Psychology, 16, 211-226. doi:10.1111/j.2044-8333.2011.02015.x

Krix, A. C., Sauerland, M., & Schreuder, M. J. (2013). Hoe getuigen zichzelf kunnen verhoren: de Zelfrapportage voor getuigen. Expertise en Recht, 5/6/2013, 180-184.

http://www.selfadministeredinterview.com

Written by Alana C. Krix and Melanie Sauerland, this blog was originally published in German at de.in-mind.org.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Children as witnesses – Can we believe them?

Children are less reliable eyewitnesses than adults. This is because their memories are less accurate and because they are more susceptible to suggestion. This opinion is widespread and has been endorsed in court cases. But is this always true? Or can children sometimes even be better witnesses than adults?

The Whisper von Brian Smithson via flickr

The Whisper von Brian Smithson via flickr

Two trials about repeated child sexual abuse that attracted intense media coverage took place during the late 1990s in Germany: the Montessori-trials and the Worms trials. Child testimonies were the only pieces of evidence in both trials. However, induced by suggestive pressure, these testimonies were erroneous: The well-meaning adults, who interviewed the children about their allegations, were so convinced about the occurrence of the abuse that they primarily aimed at finding supportive evidence for this idea during the interviews. To this end, they resorted to suggestive interviewing techniques: They repeated their questions and provided misleading cues until the children finally made the expected allegations. Numerous experiments confirmed the negative influence of erroneous information and suggestive questions on memory, especially in children. It is, for example, easier to convince younger children compared to older children about being abducted by a UFO by means of a fictitious newspaper article. But do these findings imply that one should generally not believe children and that children are bad witnesses?

No! If children disclose spontaneously and in their own words and if open questions (e.g., “Do you know why you are here?”, “Tell me more about that”) are used, child testimonies can be highly reliable. Recent memory experiments even show that children sometimes outperform adults. That is because adults tend to fill memory gaps with experience-based knowledge. Children, on the other hand, do not possess that much so-called script knowledge.

Scepticism towards child testimony is therefore warranted if it is likely that the child witness was exposed to suggestions. To assess the validity of a testimony it is thus necessary to thoroughly analyse the initial formation and development over time of the testimony (Was the child exposed to erroneous information?) and the circumstances of questioning (Were suggestive, misleading questions posed?). Children, just like adults, are not always reliable witnesses, but they certainly can be.

References:

Brackmann, N., Otgaar, H., Sauerland, M., & Merckelbach, H. (2015). Children are poor witnesses. Or are they? In Mind, 24, 1-6. (see http://www.in-mind.org/article/children-are-poor-witnesses-or-are-they)

Brainerd, C. J., Reyna, V. F., & Ceci, S. J. (2008). Developmental reversals in false memory: A review of data and theory. Psychological Bulletin, 134, 343-382. doi:10.1037/0033-2909.134.3.343

Written by Nathalie Brackmann, Alana C. Krix, and Melanie Sauerland. This blog was originally published in German at de.in-mind.org.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Twee tips voor Delta Lloyd

Onlangs maakte verzekeraar Delta Lloyd bekend een proef te starten met stemanalyse-software. Met deze software zouden medewerkers een objectieve inschatting kunnen maken over het waarheidsgehalte van een claim. En zo zouden ze verzekeringsfraude tegen kunnen gaan. Of je telefoon wel echt gestolen is dus.

De verzekeraar hecht er aan om heel transparant te zijn over de inzet van de software: “Verzwijgen vinden we niet integer”. De klant zal dan ook voorafgaand aan een gesprek geïnformeerd worden dat er getest gaat worden. Zo’n mededeling zou er dan ongeveer als volgt uit moeten zien: “Dit gesprek wordt geanalyseerd met behulp van software die op geen enkele wijze kan aantonen of u de waarheid spreekt”.

Want daar komt het namelijk op neer. Neem het recente Amerikaanse onderzoek van Frank Horvath en collega’s. Zij paste de software toe op politieverhoren van 74 verdachten. Achttien van deze verdachten legden later een bekentenis af, waarmee hun eerdere leugenachtigheid redelijkerwijs kwam vast te staan. In deze groep wees de software 52 % als hele eerlijke mensen aan. Je kunt dus net zo goed een muntje opgooien.

Of neem het onderzoek uitgevoerd in opdracht van het Amerikaanse Ministerie van Justitie. Meer dan 300 arrestanten werden ondervraagd over hun recente drugsgebruik. Deze ondervragingen werden geanalyseerd met behulp van de software, en de uitslag werd naast de uitslag van een urinetest gelegd om de nauwkeurigheid vast te stellen. Ook hier leverde de software een nauwkeurigheid op vergelijkbaar met de kwaliteit van kop-of-munt-beslissingen.

Toch hoopt Delta Lloyd dat het aantal frauduleuze claims vanwege de proef met 5% afneemt. Maar hoe gaan ze dat dan eigenlijk vaststellen? Om zo’n getal in kaart te brengen, moet je immers weten hoeveel frauduleuze claims er nu zijn, en hoeveel er na afloop van de proef zijn. Maar als Delta Loyd nu al weet hoeveel valse claims er zijn, kunnen ze die beter meteen afwijzen. Gratis tip. Graag gedaan.

Ondertussen doet de afdeling Integriteitszaken van Delta Lloyd zaken met een bedrijf dat tot twee maal toe op de vingers is getikt voor misleiding en oneerlijkheid. Dat is dan wel weer geinig. Daarom nog een tweede tip voor Delta Lloyd: zo vraag je je geld terug. Wederom graag gedaan.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Het NIP versus De Ruiter: Waarom artikel 111.3.3.16 nogal mal is

Bij slachtoffers van geweld horen daders. Dat is uit de aard der zaak het geval. En daarom: een getuige-deskundige die in zijn rapport uitweidt over slachtoffers, heeft het automatisch ook over daders. Zoiets doet zich voor als kinderen thuis worden mishandeld, en de getuige-deskundige de rechter moet adviseren over wat er aan de hand is. Zoiets doet zich eveneens voor als de verdachte ook slachtoffer was en de rechter of de verdediging wil weten in welke mate dat de schuldvraag in een ander daglicht plaatst.

Wie beweert dat slachtoffers niet bij de naam genoemd mogen worden, omdat anders de presumptie van onschuld in het geding is, begaat een denkfout. Die werd door niemand beter getypeerd dan de Tilburgse juristen Groenhuijsen en Letschert, die er dit over opmerkten:

 “De presumptio innocentiae brengt met zich mee dat een verdachte juridisch voor onschuldig moet worden gehouden totdat hij bij rechterlijk gewijsde schuldig is bevonden. Daar valt niets op af te dingen. Maar het is een ernstige denkfout om hieruit spiegelbeeldig af te leiden dat een slachtoffer pas de status van slachtoffer krijgt dóór zo’n (onherroepelijke) veroordeling van de dader. Met andere woorden: uit het onschuldvermoeden volgt allerminst dat het slachtoffer als een soort ‘vermoedelijk slachtoffer’ moet worden beschouwd totdat er een bewezenverklaring is.”

De getuige-deskundige die het slachtoffer bij de naam noemt, omdat in het strafdossier stukken zitten die consistent in deze richting wijzen, hoeft zo’n vermoedelijke dader niet te spreken. Liever niet zelfs. Hoe zou zo’n gesprek er ook uit moeten zien? Deskundige: “We lazen meerdere getuigenverklaringen waarvan de strekking is dat u uw echtgenote intimideerde, chanteerde en mishandelde en daarvan is ook meermaals aangifte gedaan. Wat is uw kant van het verhaal?” Echtgenoot: “Welnee toch, ik ben de zachtmoedigheid in hoogst eigen persoon. Ik wil dat u dit in uw rapport opschrijft.”

Doen alsof het slachtoffer een slachtoffer zonder dader is, leidt tot enerzijds-anderzijds rapportages. Het is het soort rapportage dat mistigheid in de hand werkt. Het zet aan tot een indolente omgang met zaken waarin huiselijk geweld een sleutelrol speelt. Typerend voor zo’n omgang is dat deskundigen probleemgevallen als hete aardappels doorschuiven. Omdat ze de dingen niet bij de naam durven noemen. Waar dat uiteindelijk toe voert, hebben we in de afgelopen jaren te vaak gedemonstreerd gezien.

Als een deskundige wél man en paard noemt, loopt hij/zij het risico allerlei tuchtrechtelijke bepalingen te overtreden. De recente uitspraak van het College van Toezicht van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) in de zaak die werd aangespannen tegen Corine de Ruiter illustreert het probleem. De Ruiters deskundigenbericht probeerde duidelijk te maken dat de verdachte ook slachtoffer van huiselijk geweld was. En dus ging het over de achtergronden daarvan. En dus ging het ook over die andere partij.

Het College van Toezicht meent dat De Ruiter artikel 111.3.3.16 van de beroepscode van psychologen heeft overtreden. Dat artikel pakt in de forensische context uit als de-andere-partij-moet-wel-eerst-toestemming-geven-hoor-regel. Het College zegt het als volgt: “In dat artikel is bepaald dat een psycholoog bij het uitbrengen van een rapportage geen oordelen of adviezen geeft met betrekking tot een ander dan zijn cliënt. Indien het voor het doel van de rapportage noodzakelijk is over een ander dan de cliënt gegevens te verstrekken dan beperkt de psycholoog zich zo mogelijk tot die gegevens die hij uit eigen waarneming of onderzoek heeft verkregen. Voor het verstrekken van dergelijke gegevens is gerichte toestemming van betrokkene noodzakelijk.”

Onder psychologen die regelmatig als getuige-deskundige optreden, is het College van Toezicht van het NIP een running gag aan het worden. Het geintje dat de ronde doet, is dat je als deskundige pas deugt als je flink op de vingers bent getikt door het College. Ondertussen is de zaak natuurlijk ernstig genoeg. Waar we niet willen eindigen, is dat over een tijdje alleen nog maar enerzijds-anderzijds deskundigen op de been zijn, het soort deskundige dat slachtoffers pas slachtoffers durft te noemen als de dader daarvoor “gerichte toestemming” heeft gegeven. Kunnen we daar eens snel met het NIP over praten?

Harald Merckelbach, Melanie Sauerland, Henry Otgaar en Ewout Meijer

Geplaatst in Uncategorized | 5 reacties

Een berisping op basis van een krantenbericht en een proces-verbaal van een rechtszitting

FOR THE ENGLISH VERSION OF THIS BLOG, SEE BELOW.

Het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) heeft mij berispt op basis van een  krantenartikel en een proces-verbaal van een rechtszitting die op 24 juli 2014 plaatsvond in de Rechtbank Den Haag. De teksten van de journaliste en die van de griffier van de rechtbank zijn onvolledig en op een aantal belangrijke punten feitelijk onjuist. Het NIP beschikt niet over mijn forensische rapportage waarin mijn onderzoeksbevindingen uitgebreid onderbouwd zijn met forensisch diagnostisch onderzoek, met dossier-informatie (1500 pagina’s), met getuigenverklaringen en met verwijzingen naar de wetenschappelijke literatuur. In deze blog ga ik in op de zaak.

NRC artikel “Het geheugen van S. is nagenoeg verdwenen

Het NIP heeft mij mede berispt op basis van het krantenbericht “Het geheugen van S. is nagenoeg verdwenen“ uit NRC Handelsblad van 25 juli 2014 van Evy van der Sanden, die bij de rechtszitting op 24 juli aanwezig was. Het is relevant hier te vermelden dat Evy van der Sanden voorafgaand aan publicatie geen contact met mij gehad heeft om haar beweringen te toetsen. De feitelijke onjuistheden in het NRC artikel vallen dus niet onder mijn verantwoordelijkheid.

fragment uit NRC artikel

fragment uit NRC artikel

  1. Van der Sanden schrijft: “De verdediging schetste een beeld van een vrouw die niet meer vrijwillig handelde, omdat ze geterroriseerd werd door haar man Jos van Hal. Dat beeld berustte op verklaringen van vooral de Ruiter en S.”  De laatste zin is in strijd met de waarheid. Er zijn in het gerechtelijk vooronderzoek in de zaak tegen S. op zijn minst vier ooggetuigen gehoord, die verklaard hebben over concrete gewelddadige handelingen van de man van mevrouw S. Deze getuigenverklaringen bevinden zich in het strafdossier dat ik tot mijn beschikking had bij mijn onderzoek en dat ook de rechtbank in bezit heeft. Het strafdossier bevat tevens medische letsel-informatie die nauw aansluit bij het door de getuigen gerapporteerde geweld. In verband met de privacy kan ik niet uit het dossier citeren, maar ik wil hier wel vermelden dat het zeer serieus geweld betreft.
  2. Van der Sanden schrijft vervolgens dat ik in de rechtszaal beweerd heb dat Van Hal “psychopathisch was.” In antwoord op vragen van de rechtbank heb ik aangegeven dat op basis van alle informatie uit het dossier het beeld ontstaat van een man met een aantal psychopathische trekken. Meer specifiek heb ik er twee genoemd: een gebrekkige woedebeheersing en een behoefte aan status in de vorm van geld en dure spullen. Ik heb niet gezegd dat Van Hal de diagnose psychopathie heeft. Ik verwees in mijn verklaring bij de rechtbank naar persoonlijkheidskenmerken zoals die binnen de forensische diagnostiek worden vastgesteld op basis van een specifiek forensisch diagnostisch instrument, de Psychopathie CheckList-Revised. Bij dit forensische instrument weegt de informatie over de onderzochte die van andere bronnen dan de onderzochte zelf afkomstig is, zwaarder dan de informatie van de onderzochte zelf. Dit is overigens een van de belangrijke verschillen tussen forensische en klinisch-therapeutische diagnostiek, waarop ik later nog terug kom.

Het proces-verbaal van de griffier

Het NIP heeft mij eveneens berispt op basis van het proces-verbaal dat de griffier over de terechtzitting van 24 juli 2014 heeft opgemaakt. Ook in dit proces-verbaal staan feitelijke onjuistheden, die noch overeen komen met wat in mijn forensische rapportage staat, noch met wat ik in de rechtszaal heb gezegd. Het proces-verbaal is een grove samenvatting, en geen letterlijke weergave van wat ter zitting verklaard is.

Rechtbank Den Haag

Rechtbank Den Haag

Ten eerste staan de vragen die gesteld zijn aan de getuigedeskundigen (er waren er drie) niet vermeld in het proces-verbaal. Voor een goed begrip van de verklaringen van een getuigedeskundige is het absoluut noodzakelijk dat de context van die verklaringen letterlijk weergegeven wordt. De verklaringen die een getuigedeskundige aflegt bouwen namelijk voort op het strafdossier en op de schriftelijke forensische rapportage. Het is onmogelijk om de verklaringen van een getuigedeskundige in de rechtszaal inhoudelijk te beoordelen zonder kennis te nemen van het strafdossier en de schriftelijke rapportage, en dit is precies wat het NIP wel heeft gedaan.

Ten tweede dient te worden opgemerkt dat in deze specifieke zaak de drie getuigedeskundigen (twee door de rechtbank benoemde, en ik) die ter zitting gehoord zijn, niet elk afzonderlijk maar tegelijkertijd gehoord zijn. Wij zaten op een rij, en de vragen van de Officier van Justitie en de rechtbank werden meestal aan een van de deskundigen gesteld, waarna dezelfde vraag vervolgens aan de volgende deskundige in de rij gesteld werd. Door deze wijze van ondervragen, is het noodzakelijk om de verklaringen van alle deskundigen, conform de tijdlijn waarin zij gedaan werden, weer te geven in het proces-verbaal voor een objectieve weergave van deze verklaringen. Soms heeft een van de deskundigen bijvoorbeeld gerefereerd aan de eerdere verklaringen van een andere deskundige en zich daarbij aangesloten en/of aanvullingen daarop gegeven.

De klacht van de familie Van Hal betreft in het bijzonder pagina 3 van het proces-verbaal waar staat dat ik gezegd heb dat “Van Hal uit een gezin komt met een schizofrene moeder”. Dit is onjuist. In mijn schriftelijke rapportage en ter zitting heb ik verklaard dat de moeder van Van Hal volgens Van Hal zelf schizofreen was, zoals opgetekend uit verklaringen van mevrouw S. en andere getuigen. Hiermee voldoe ik aan de eis van bronvermelding; de rechter weet op deze wijze dat het geen diagnose betreft. Ik heb géén diagnose gesteld met betrekking tot de moeder van Van Hal.

Clash of psychological cultures

Hoe kan het dat het NIP mij, ondanks deze feitelijke onjuistheden, toch heeft berispt? Het NIP schroomt niet om een psycholoog de beroepsethische maat te nemen op basis van een krantenartikel en een rechtbankverslag vol verdraaiingen van de feiten. Jezelf daartegen verweren als forensisch psycholoog, is bijna onmogelijk.

De oorzaak van deze en andere berispingen, ook aan het adres van andere forensische collega’s, ligt echter dieper. De leden van de tuchtcolleges in Nederland zijn onbekend met mijn vak, de forensische psychologie. In tegenstelling met veel andere landen, waaronder Canada, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, wordt deze tak van de psychologie in Nederland niet erkend als specialisme. Een forensisch psycholoog heeft een andere opdracht, gebruikt andere testmethoden en instrumenten, en legt op een andere wijze verantwoording af, dan een psycholoog die iemand diagnosticeert of behandelt in het kader van zorgverlening. De taak van de deskundige in strafzaken is vastgelegd in artikel 51i, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering en wordt in de Memorie van Toelichting omschreven als: “het uitvoeren van een opdracht tot het verstrekken van informatie over de stand van de kennis op zijn vakterrein en tot het verslag doen van zijn verrichtingen…”. Aan de deskundige wordt opgedragen “naar waarheid, volledig, en naar beste inzicht verslag uit te brengen.” De verplichting om naar waarheid te verklaren ziet op de empirische component in het forensisch onderzoek, zoals de resultaten van de verschillende tests en de analyse daarvan.

De getuigedeskundige wordt voordat hij ter zitting gehoord wordt door de rechter mondeling beëdigd. Dit betekent dat hij naar waarheid en naar eer en geweten dient te verklaren over “hetgeen zijn wetenschap hem leert”. De getuigedeskundige is hiermee expliciet in de rol van expert in de rechtszaal aanwezig. Dit wordt ook wel de “forensische rol” genoemd, waarbij het woord forensisch verwijst naar het Romeinse forum, waar in de Oudheid recht gesproken werd. Het onderscheid tussen de psycholoog in de forensische rol en de klinisch-therapeutische rol is cruciaal voor een beoordeling van de kwaliteit van het werk van de forensisch deskundige, omdat de forensische rol strijdig kan zijn met de therapeutische, helpende rol. De Amerikaanse forensisch psycholoog Kirk Heilbrun (2001) formuleerde het zeer expliciet: “Existing principles for therapeutic assessment are not adequate to describe the more specialized activity of forensic assessment” (cursivering in origineel; p. 8-9). Tabel 1 geeft de belangrijkste verschillen weer.

Tabel 1. Verschillen tussen therapeutische en forensische rollen voor psychologen

Therapeutisch Forensisch
Doel Diagnostiek en behandeling Dienen van de waarheidsvinding
Relatie

Onderzoeker-onderzochte

Helpende rol Objectieve of quasi-objectieve houding
Informatie verstrekking Impliciete aanname dat psycholoog

en cliënt hetzelfde doel hebben;

wordt meestal niet expliciet benoemd

Aannames over doel niet noodzakelijk

hetzelfde; wordt formeel en expliciet benoemd

Wie is de cliënt De individuele cliënt/patiënt Wisselend: rechter, advocaat, OM
Bronnen Zelfrapportage, testonderzoek, gedragsobservaties Collaterale bronnen (dossierstukken, gesprekken met belangrijke anderen die de onderzochte goed kennen, etc.), zelfrapportage, testonderzoek,

gedragsobservaties

Antwoordstijl van de onderzochte Wordt als betrouwbaar verondersteld Niet verondersteld betrouwbaar te zijn (noodzaak van onderzoek naar faking good/bad)
Uitleg over de totstandkoming van de conclusies Optioneel Zeer belangrijk
Schriftelijke rapportage Beknopt, concluderende beschrijving Uitgebreid en gedetailleerd; documentatie van bevindingen, gevolgtrekkingen en conclusies
Getuigen in de rechtszaal Niet verwacht Wordt mogelijk gevraagd

Noot. Tabel overgenomen uit Heilbrun, K. (2001), Principles of Forensic Mental Health Assessment, enigszins aangepast aan de Nederlandse context.

Omdat de werkzaamheden van de forensisch psycholoog op belangrijke punten afwijken van die van de psycholoog als zorgverlener, heeft de American Psychological Association, de zusterorganisatie van het NIP, al in 1991 specifieke beroepsethische richtlijnen voor forensisch psychologen opgesteld. Deze richtlijnen zijn in 2013 herzien. In de forensische psychologie is degene die onderzocht wordt niet de cliënt van de psycholoog; de cliënt is de opdrachtgever tot het onderzoek (in Nederland: het OM, de rechter of de verdediging). De persoon die onderzocht wordt heeft ook niet het recht om de forensische rapportage tegen te houden en het beroepsgeheim is beperkt van toepassing. Er moet immers in de (openbare) rechtszaal uitgebreid over de inhoud van de forensische rapportage gesproken kunnen worden, in het belang van de waarheidsvinding. De forensisch psycholoog dient zijn rapportage niet louter te baseren op verklaringen van degene die hij onderzoekt, maar dient gebruik te maken van een veelheid aan collaterale bronnen, omdat alleen op deze manier hetgeen de onderzochte vertelt, geverifieerd kan worden. De onderzochte kan er immers belang bij hebben om zichzelf anders te presenteren dan hij in werkelijkheid is, als hij denkt dat dat ik zijn juridisch belang is.

Het kan in het belang van diezelfde waarheidsvinding noodzakelijk zijn om nader onderzoek te verrichten naar andere personen die indirect of direct in relatie stonden met degene die onderzocht wordt. Dat is bijvoorbeeld het geval als er bij een misdrijf meerdere verdachten zijn betrokken. Om inzicht te verwerven in de persoonlijkheid van een van de verdachten is het dan noodzakelijk om ook kennis te nemen van informatie over de andere betrokken verdachten, om tot een afgewogen oordeel te komen. In de onderhavige casus S. was collaterale informatie over het gedrag van Van Hal noodzakelijk, en deze informatie is door de rechter-commissaris en door mijzelf verzameld. Het werk van een forensisch psycholoog is nauw verwant aan het werk van een wetenschapper die verschillende hypothesen en scenario’s toetst aan de hand van de beschikbare dossiergegevens en de resultaten van psychologisch testonderzoek. De forensisch psycholoog heeft de taak om zelf collaterale informatie te vergaren, als die in het aangeleverde strafdossier ontbreekt. Dat heb ik in de casus S. ook gedaan.

Dat familieleden die indirect bij een strafzaak als deze betrokken zijn, schrikken van wat er in de rechtszaal over hun (overleden) familielid gezegd wordt, zeker als het gezegde een ander licht op dat familielid werpt, kan ik begrijpen. Dat neemt niet weg dat in het kader van de waarheidsvinding in de rechtszaal ook pijnlijke feiten benoemd dienen te worden. Het is uiteindelijk aan de rechter om al hetgeen gezegd is in de rechtszaal en wat in het dossier staat, te wegen en zich daarover een finaal oordeel te vormen. Dat is niet aan de getuigedeskundige, niet aan de verdachte of zijn familie, niet aan de slachtoffers, niet aan andere direct of indirect bij de zaak betrokkenen. En het is ook niet aan de tuchtcolleges.

Ik hoop van harte dat het mooie vak dat forensische psychologie heet ook in Nederland erkend zal worden als zelfstandig specialisme binnen de psychologie, zodat vele jonge forensisch psychologen, onder andere zij die afstuderen aan de selectieve, tweejarige Master Forensic Psychology van de Universiteit Maastricht, zich in de toekomst niet hoeven te verantwoorden voor een tuchtcollege dat hen langs de verkeerde, therapeutische, meetlat legt.

ENGLISH VERSION

engelse_vlag

A licensing board reprimand based on a newspaper article and summary notes taken from a court session

The Netherlands Institute of Psychologists (NIP) has reprimanded me based on a newspaper article and summary notes made up by a court clerk about a court hearing that took place on July 24th, 2014 in the court of The Hague. The writings of the journalist and those of the clerk are incomplete and factually incorrect on several important points. The review board of the NIP did not have access to my forensic report in which my findings are elaborately substantiated by forensic psychological assessment, file information (1500 pages), witness statements and references to the relevant academic literature. In this blog, I will reflect on this case.

NRC (newspaper) article “The memory of S. has almost disappeared”

The NIP has sanctioned me partly on the basis of a newspaper article “The memory of S. has almost disappeared” in NRC Handelsblad of July 25th 2014 written by Evy van der Sanden, who was present at the court hearing on the previous day. It is relevant to note here that Evy van der Sanden did not take up contact with me prior to her publication, to check the statements she ascribed to me. Consequently, the factual errors in the NRC article do not fall within my responsibility.

  1. Van der Sanden writes: “The defense depicts an image of a woman who did not act voluntarily anymore, because she was terrorized by her husband Jos van Hal. That image was based on statements of mainly de Ruiter and S.” The last sentence violates the truth. In the police investigation of the case against S., at least four eyewitnesses made statements about the actual violent acts committed by Mrs. S.’ husband. These witness statements can be found in the case file to which I had access during my forensic psychological evaluation. The case file also contains medical injury information that ties closely to the reported violence by the witnesses. Due to privacy issues I am not able to cite from the file, but I will mention that it concerns very serious violence.
  2. Van der Sanden subsequently writes that I claimed that Van Hal “was psychopathic”. In answer to the court’s questions I stated that on the basis of all information from the file an image emerged of a man with several psychopathic features. More specifically, I mentioned two of these: deficient anger control and a great need for status, shown in spending large sums of money on expensive goods. I did not say that Van Hal had the diagnosis of psychopathy. In my statements to the court I made clear that I was referring to several personality traits, as they are established within forensic assessment by means of a specific forensic assessment instrument, the Psychopathy CheckList-Revised. This forensic instrument requires weighing the information about the assessed individual from different sources more heavily than information from the assessed person him or herself. This is, for that matter, an important difference between forensic and clinical-therapeutic assessment, which I will discuss in more detail below.

The report of the court clerk

The NIP also reprimanded me on the basis of the report that the clerk drafted about the court hearing on the 24th of July, 2014. This report also contains a number of factual errors that do not concur with my forensic report, or with what I actually said in court. The report is a rough summary and not a literal representation of what was stated during the hearing.[1]canstockphoto11787716

First of all, the questions asked to the expert witnesses (there were three in total) are not listed in the clerk’s report. To adequately understand the statements of an expert witness, it is absolutely necessary that the context of those statements is literally presented. Statements made by an expert witness build upon the case file and on the written forensic report that has been submitted to the court before. It is impossible to judge statements made in court, without taking note of the case file and the written report, and that is exactly what the NIP did.[2]

Secondly, it has to be noted that in this particular case, the three expert witnesses (two appointed by the court and I) asked to testify, were not heard individually, but simultaneously. We were asked to sit in a row, and the questions of the public prosecutor and the judges were mostly asked to one of the experts, after which the same question was asked to the next expert in line. Because of this very unusual way of questioning, an objective representation of the statements of all experts requires that the clerk’s report provides the timeline in which the statements were given. For example, sometimes one of the experts referred to an earlier statement of another expert and agreed and/or provided additional comments. From the clerk’s report, it cannot even be discerned that the testimony of the three experts took place in this rather strange manner.

The complaint of the Van Hal family concerns in particular page 3 of the clerk’s report which states that I said that “Van Hal comes from a family with a schizophrenic mother”. This is incorrect. In my written report and in court I stated that the mother of Van Hal, according to Van Hal himself, was schizophrenic, as noted in the statements of Mrs. S. and other witnesses. By stating that this information came from Mrs. S. and other sources, I fulfilled the requirement of providing references for my statement; and this way the judge knows it does not constitute a diagnosis. I did not give any diagnosis concerning the mother of Van Hal nor of Van Hal himself.

Clash of psychological cultures

How to explain that the NIP reprimanded me, despite these factual errors in the documents and without knowledge of my written forensic report? The NIP judged a psychologist’s professional ethics on the basis of a newspaper article and a clerk’s report full of distortions of the facts. To defend oneself as a forensic psychologist in a case like this is nearly impossible.

However, the cause of this and other reprimands, also of other forensic colleagues, lies deeper. The members of the review boards in the Netherlands are unfamiliar with my profession, forensic psychology. In contrast to many other countries, such as Canada, the United Kingdom, and the United States, this branch of psychology is not acknowledged as a specialty in the Netherlands. A forensic psychologist has another task, uses other test instruments, and other methods of data gathering, than a psychologist who diagnoses or treats someone in the context of care provision. The task of the expert in criminal cases is documented in article 51i, section 1 of the Dutch Code of Criminal Procedure and is described in the explanatory memorandum as: Conducting an assignment of providing information on the state of the knowledge in his professional field and to draft a report of his findings …”. Experts are ordered to “report truthfully, completely and to the best of their knowledge”. The obligation to declare truthfully concerns the empirical component in forensic assessment, such as the results of the different tests and the analysis thereof.

The expert witness is sworn in before testifying in court. This means that he should declare truthfully, honestly and according to “that which science has taught him”. The expert witness is present in court in the role of expert. This is also called the “forensic role”, in which the word forensic refers to the Roman Forum, where in Ancient times justice was administered.Principles Heilbrun

The difference between the psychologist in the forensic role and the clinical-therapeutic role is crucial in judging the quality of the work of a forensic psychologist, because the forensic role can conflict with the therapeutic, helping role. American forensic psychologist Kirk Heilbrun (2001) phrased this very explicitly: “Existing principles for therapeutic assessment are not adequate to describe the more specialized activity of forensic assessment” (p. 8-9). Table 1 depicts the most important differences.

Table 1. Differences between therapeutic and forensic roles for psychologist.

Therapeutic Forensic
Aim Diagnose and treat symptoms of illness Assist legal decision-maker or attorney; truth finding
Assessor-Assessee relationship Helping role Objective or quasi-objective stance
Notification of purpose Implicit assumptions about purpose shared by doctor and patient Assumptions about the aim are not necessarily shared
Who is being served? The individual client/patient Variable: judge, lawyer, public prosecutor
Data sources Self-report, testing, behavioral observations Collateral sources (case files, interviews with important others who know the assessed individual well, etc.), self-report, testing, behavioral observations
Response style of the assessee assumed to be reliable not assumed to be reliable (Necessity of assessment of faking good/bad)
Clarification of reasoning Optional Very important
Written report Brief, concluding description Extensive and detailed, documentation of findings, reasonings, and conclusions
Court testimony Not expected Will possibly be asked

Note: Table from Heilbrun, K. (2001), Principles of Forensic Mental Health Assessment, p.9 New York: Kluwer Academic (with minor amendments).

Because the work of the forensic psychologist deviates in important ways from those of the psychologist as therapist, the American Psychological Association, the sister organization of the NIP, drew up specific professional ethical guidelines for forensic psychologists already in 1991. These guidelines were revised in 2013. In forensic psychology, the individual that is assessed is not the client of the psychologist; the client is the commissioning party of the assessment (in the Netherlands: the public prosecutor, the judge or the defense attorney). The person who is being assessed does not have the right to withhold the forensic report and professional confidentiality has limited application. The contents of the forensic report should be extensively discussed in the (public) court, in the interest of establishing the truth. The forensic psychologist should not base his report merely on statements of the person he is assessing, but must use a variety of collateral sources, because only in this way the information stated by the assessed individual, can be verified. This is because the persons being assessed may have an interest in presenting themselves differently than they actually are, if they believe this is in their own legal interest.

It may be necessary, in the interest of that same truth finding, to examine other persons related (directly or indirectly) to the one who is being assessed. Such is the case when there are several suspects involved in one crime. To gain insight into the personality and behavior of one of the suspects, it is then necessary to also take note of information about the other suspects involved, to come to a balanced judgment. In the present case of S., collateral information about the behavior of Van Hal was needed, and this information was collected by the investigating judge and me. The work of a forensic psychologist is closely related to the work of a scientist who tests various hypotheses and scenarios based on the available file data and the results of psychological testing. The forensic psychologist has the obligation to gather collateral information, when it is absent in the supplied case file. This is what I did in the case of S.

I can understand that family members, who are indirectly involved in a criminal case such as this one, are disconcerted by what is said in court about their (deceased) family member, especially if this sheds a different light on that family member. This should not mean that in the context of establishing the truth inside the courtroom, painful facts cannot be discussed. It is ultimately up to the courts to weigh and review all that has been said in the courtroom and what is in the file information, to arrive at a final decision. This is not up to the expert witness, the suspect or his family, the victims, or others directly or indirectly involved in the case. And it is also not up to professional disciplinary boards.

I sincerely hope that our beautiful profession of forensic psychology will also become established in the Netherlands as an independent specialty within psychology, so that many young forensic psychologists, including the alumni from the selective, two-year Master in Forensic Psychology at Maastricht University, do not have to answer to a disciplinary board which holds them against the wrong therapeutic yardstick.

[1] This non-verbatim reporting of court hearings of expert witnesses in The Netherlands, stands in stark contrast with common practice in the United States, where all court testimony offered by expert witnesses is recorded verbatim, including the exact formulation of the questions posed to the expert and the answers provided. For an example, see Chapter 12, “Providing effective expert testimony”, in C. de Ruiter & N. Kaser-Boyd, Forensic psychological assessment in practice: Case studies. New York, Routledge, 2015.

[2] I could not defend myself in the review board procedure by submitting my forensic report, because the NIP Ethics Code stipulates that all documents submitted by one of the parties during a review board procedure will be automatically sent to the other party. This would have meant that the Van Hal family would have gained access to my forensic report of Mrs. S. through their complaint at the NIP. This was obviously not what I wanted.

 

Geplaatst in Wetenschap & Maatschappij | Tags: ,

De casus Bart van U.

Reflecties op het rapport van de Commissie Hoekstra (2015) bij de start van de rechtszaak tegen Bart van U.

Vandaag, dinsdag 8 september 2015 begint bij de Rechtbank te Rotterdam de zaak tegen Bart van U. Hij wordt door het Openbaar Ministerie vervolgd voor de doding van Minister van Staat Els Borst en zijn oudere zus Loïs. Volgens berichten in de media zou hij beide slachtoffers met een groot aantal messteken om het leven hebben gebracht

Pijnlijke conclusies

Op 25 juni 2015 publiceerde de Commissie Hoekstra haar rapport ‘Strafrechtelijke beslissingen Openbaar Ministerie naar aanleiding van de zaak-Bart van U.’  Het rapport maakte pijnlijk duidelijk dat alle instanties (politie, OM, GGZ, NIFP, rechter) gefaald hebben in de aanpak van de serieuze signalen die vanaf 2007 bij al die instanties waren binnen gekomen over de ernstige psychische problemen van Bart van U.

Rapport Commissie Hoekstra Lees verder

Geplaatst in Veiligheid & terrorisme, Wetenschap & Maatschappij | Tags: , | 3 reacties

Boeddha in het politieverhoor

Je ziet het steeds vaker. Op de werkvloer. In de sportschool. In een kliniek. Ik heb het over quasi-Aziatische zielkunde zoals Mindfulness. Mindfulness is een vorm van meditatie die zich richt op het vergroten van de aandacht door acceptatie (huh?) en ademhalingstechnieken. Mindfulness schijnt heilzame krachten uit te oefenen op onze lichaam en geest. In mijn vechtsportschool wordt het trouwens ook gebruikt.

Als je sommige guru’s du jour mag geloven, is Mindfulness overal goed voor. Het zou namelijk zorgen voor: een afname in depressiviteit, angst, stress en zelfs een verbetering in het algemeen welbevinden. Dat zal zeker allemaal waar zijn. Maar is Mindfulness ook ergens niet goed voor?

Onlangs heeft Mindfulness het domein van de rechtspsychologie en meer specifiek het geheugen betreden. Waarom? Omdat het een eenvoudige manier zou kunnen zijn om het geheugen een boost te geven. Zou voordelig zijn tijdens een politieverhoor. Stel maar voor. Getuige X heeft een overval gezien. Wordt geïnterviewd door de politie. Getuige X kan zich niet alles meer herinneren. Politie reikt een aantal simpele ademhalingstechnieken aan en warempel, getuige X komt met meer details op de proppen.

De Amerikaanse psycholoog Brent Wilson en collega’s namen pas geleden de proef op de som. Zij lieten proefpersonen mediteren (of niet) en overhandigden ze daarna lijsten bestaande uit met elkaar samenhangende woorden zoals tranen, janken, wenen, en brullen. Wat bleek? Mediterende proefpersonen herinnerden tijdens een afsluitende geheugentaak vaker het nooit aangeboden woord huilen dan proefpersonen die niet mediteerden. Met andere woorden: mediteren leidde tot een toename in het aantal pseudo-herinneringen. Ai!

En nu? Simpel. Wanneer het neerkomt op zaken zoals depressie, angst en stress, dan ja, dan is Mindfulness wellicht nuttig. Maar wanneer het geheugen belangrijk is, zoals tijdens een politieverhoor, dan nee. Verpruts de getuige niet met Mindfulness. Leg je dan gewoon toe op bestaande en werkende protocollen zoals het Cognitieve Interview. En laat Boeddha buiten de verhoorkamer.

Afbeelding | Geplaatst op door | Een reactie plaatsen

Bij de dood van Oliver Sacks

Er bestaat een prachtige foto van Sacks, die laat zien hoe hij voor het Amsterdamse Centraal Station zijn bagage haastig heeft neergekwakt om een observatie te krabbelen in een van zijn talrijke notitieboekjes. Dat voortdurend boekstaven van wat er om hem heen gebeurde, was zijn tweede natuur. Hij deed het, zo zei hij er ooit over, om zijn innerlijke commentaarstem te disciplineren. Die notities fungeerden ook als grondstof voor zijn boeken over opmerkelijke patiënten.

Met zijn boeken had Sacks niet de bedoeling om zijn collega-artsen bij te praten. Sacks schreef om ons allemaal deelgenoot te maken van zijn fascinatie voor hoe het brein functioneert. Dat zie je af aan zijn schrijfstijl. Die is soepel en elegant. De schijnbare eenvoud er van kan vaklui op het verkeerde been zetten, omdat ze hem aanzien voor gebrek aan diepgang.

Sacks’ carrière als schrijver kwam inderdaad aarzelend op gang. Het begon allemaal met een boek over migraine. De baas van de kliniek waar Sacks destijds als jong neuroloog werkte, probeerde de publicatie tegen te houden. Zo’n populair boekje was niet best voor de reputatie van de kliniek, vond de chef. Sacks trok zich er niets van aan. Hij werd ontslagen, maar het boek kwam er en bleek een success. En zo werd Sacks de wegbereider van een nieuw genre: boeken over de belevingswereld van patiënten. Zonder Sacks geen Curious Incident of the Dog in the Night-Time (2003) van Mark Haddon over een adolescent met autisme. Zonder Sacks evenmin Motherless Brooklyn (1999) van Jonatham Lenthem over een detective met het syndroom van Gilles-de-la-Tourette.

Hoe wilt u dat de mensen u zullen herinneren, vroeg een Amerikaans journalist een paar jaar geleden aan hem. Sacks: “als een dokter die kon luisteren en die serieus probeerde om zich in te leven in zijn patiënten.” Dat is een wel heel bescheiden antwoord van de masterful medical storyteller, die Sacks was

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen