Psychopathie van het dagelijks leven

De afgelopen weken las ik een “oud” boek: Manufacturing social distress: Psychopathy in everyday life, van de Amerikaanse psycholoog Robert Rieber uit 1997. Rieber werkt op dit moment als hoogleraar aan Fordham University in New York. Rieber hanteert in zijn boek de gangbare definitie van de psychopathische persoonlijkheid, zoals die is geformuleerd door Robert Hare. Psychopathie wordt gekenmerkt door een gebrek aan innerlijk conflict over het overschrijden van sociale en morele normen, gebrek aan empathie met anderen, behoefte aan macht en overmatig sensatiezoeken (thrill-seeking). Wetenschappelijk onderzoek naar psychopathie heeft de afgelopen decennia een grote vlucht genomen, maar het is opvallend dat dit onderzoek bijna uitsluitend betrekking heeft op criminele psychopaten, dat wil zeggen op personen die vanwege hun antisociale gedrag in aanraking zijn gekomen met justitie. Rieber richt zich op de niet-criminele “huis-tuin-en-keuken” psychopaten onder ons, en zijn stelling is dat de huidige maatschappij psychopathisch gedrag verregaand normaliseert.

Rieber book cover

Ik moest hieraan denken toen ik in juni-juli de bobo’s van de woningcorporaties zag zitten bij de openbare verhoren van de parlementaire enquêtecommissie Woningcorporaties.  Al deze mannen, en een enkele vrouw, leken zichzelf nog steeds te beschouwen als respectabele individuen. Heel soms werd op een klein puntje toegegeven dat iets “een verkeerde keuze” was geweest, zoals het rijden in een Maserati als dienstauto met eigen chauffeur à raison van ruim 8000 euro per maand: zie hier de video van het verhoor. Dat gaf volgens Hubert Möllenkamp, directeur van Rochdale, “een verkeerde beeldvorming naar de huurders”. Al zijn mededirecteuren van Rochdale hadden volgens hem een regeling dat ze privé in een auto van de zaak mochten rijden, dus dat was “normaal”. Nergens tijdens dit verhoor laat deze directeur op enig moment schaamte zien. Hij claimt geheugenverlies voor belangrijke, mogelijk compromittererde feiten, terwijl zijn geheugen op andere punten perfect functioneert. Rieber noemt dit “the normalized psychopathy of powerful positions” (p. 13).

Nu is corruptie en vriendjespolitiek natuurlijk van alle tijden, maar volgens Rieber is de wijze waarop dit type gedrag in het huidige tijdsgewricht wordt goedgepraat, evenals de apathische reactie van het algemene publiek, uniek in de geschiedenis. Hij vindt dat psychopathisch gedrag verheerlijkt wordt in films (denk James Bond en Gordon Gekko in Wall Street) en andere media. Psychopathie maakt onderdeel uit van de zogenaamde donkere driehoek (dark triad), een groep van drie persoonlijkheidstrekken: Machiavellisme, narcisme en psychopathie. Deze drie trekken overlappen voor een gedeelte en zijn verbonden met een kille, manipulatieve en instrumentele omgang met anderen. Het interessante aan deze persoonlijkheidstrekken is dat ze gemakkelijk verborgen worden achter een overtuigend “masker van geestelijke gezondheid”. Psychopaten en narcisten winnen gemakkelijk het vertrouwen van anderen omdat ze in eerste instantie overkomen als aardig, charmant en goedbedoelend. Alleen in een langerdurend contact openbaren zij hun donkere kanten.

Wolf in schaapskleren

Wolf in schaapskleren

De laatste jaren begint er voorzichtig meer onderzoek te komen naar de “huis-tuin-en-keuken” verschijningsvormen van psychopathie. Zo publiceerden Smith en Lilienfeld (2013) een overzicht van het onderzoek naar psychopathie op het werk. Psychopathie houdt verband met intimidatie en pesten op de werkplek, en met zwakke managementvaardigheden (geen team-player). Er is ook enig bewijs voor een positieve relatie met overtuigingskracht en het durven nemen van risico’s op het werk. De belangrijkste conclusie van Smith en Lilienfeld is echter dat we nog heel weinig weten over niet-criminele psychopaten.

Ik denk dat we als forensisch psychologen veel kunnen leren over psychopathie door onderzoek te doen naar hun slachtoffers. Er verschijnen steeds meer boeken, die de gevolgen van het leven met iemand met psychopatische kenmerken voor de naaste omgeving, documenteren. Dr. Martha Stout schreef The sociopath next door. Cherylann Thomas schreef een boek over de ervaringen met haar vader: Evil eyes: A daughter’s memoir. Dit soort informatiebronnen biedt inzicht in de gedragingen van mensen met psychopathie, inzicht dat we niet van de psychopaten zelf zullen krijgen, omdat zij meesters zijn in liegen en bedriegen.

Sarah Francis Smith & Scott O. Lilienfeld (2013). Psychopathy in the workplace: The knowns and unknowns. Aggression and Violent Behavior, 18, 204-218. http://dx.doi.org/10.1016/j.avb.2012.11.007

Afbeelding | Geplaatst op door | Tags: | 2 reacties

The Maastricht Conference On Symptom Validity

Functional or Feigned?

4th European Conference on Symptom Validity Assessment;

Thursday June 11 – Friday June 12 2015

Crowne Plaza Hotel Maastricht

Website:http://www.tmfi.nl/symptomvalidity

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Tijdschrift Voor Kwezelarij Is Bang Voor Ruzie En Besluit Repliek Niet Te Publiceren

Als redacteur van een internationaal tijdschrift kom je gekke dingen tegen. Toch sta je soms versteld van hoe het kan gaan. Nu moet je tegen een stootje kunnen – ik heb er toevallig een leuke hobby aan – maar dit was zo weinig academisch. Het ging zo: het lokale blad Expertise & Recht vroeg me om een speciaal nummer over de forensische psychologie samen te stellen. Maar natuurlijk, zeker, leuk. Dus mijn collega’s schreven wat artikeltjes en ikzelf – met wat co-auteurs – schreef iets over misvattingen van experts over kinderen als getuigen. En wat de consequenties van zulke misvattingen zijn. Toen begon het gelazer.

Want ter illustratie voerde ik in het artikel een zaak op waarbij ik als getuige-deskundige was opgetreden. Het ging om een zaak waarbij een vrouw in haar huis was doodgestoken. Haar zevenjarige dochter zei te hebben gezien dat het haar vader was die had gestoken. Mijn conclusie: het zat snor met de betrouwbaarheid van haar verklaringen. De advocaat van de verdachte had ook een expert ingeschakeld: Ruud Bullens. De man die als deskundige faam verwierf in de Schiedammer parkmoord. Bullens meende dat de dochter zich dingen kon hebben ingebeeld. Met een antiek woord uit de belle epoque van de Weense psychiatrie heet dat “autosuggestie”.

Na het artikel te hebben toegezonden aan de redactie van Expertise & Recht, ontvingen we het met vreemde opmerkingen retour. In ons stuk verwezen wij bijvoorbeeld naar een passage uit een boek van nog zo’n antieke held: Hugo Münsterberg. De passage handelde over de incompetenties die Münsterberg aan kinderen (en vrouwen) toerekende. Een redactielid dat ons stuk had beoordeeld, merkte op dat hij de desbetreffende passage niet kon terugvinden in zijn exemplaar van Münsterberg. Vreemd toch. In de originele druk van het boek was de passage toch echt terug te vinden en we stuurden een scan daarvan naar de redactie. So far, so good.

Het redactielid was verder van mening dat de rest van het artikel niet te vertrouwen was als het citaat uit Münsterberg al niet klopte. Zo zeg. Dat is zoiets als stellen dat je auto total loss is omdat er vogelpoep op de motorkap zit. Er kwam nog meer.

Het redactielid wilde een volledige scan van Bullens’ rapport hebben. We moesten maar –zonder toestemming van Bullens- zijn vertrouwelijke rapport naar de redactie sturen. Dat gingen we dus mooi niet doen. We vonden het vreemde manoeuvres voor een redactie. Ik bedoel: hun tijdschrift gaat niet over de pleziervaart, maar over serieuze vraagstukken uit het recht.

De redactie nodigde Bullens uit om een reactie te schrijven op ons artikel. Beide artikelen zouden dan samen worden gepubliceerd. Vervolgens zouden wij dan weer op het verhaal van Bullens mogen reageren. Klonk goed, academisch ook. Maar zover kwam het niet. In onze repliek op Bullens’ artikel merkten we op dat Bullens niet op de hoogte was van de recente literatuur over het geheugen. Met als gevolg dat hij in de bedoelde zaak de verklaringen van het meisje nodeloos had geproblematiseerd.

De redactie besloot onze repliek niet te publiceren. Bullens had het gelezen en voelde zich “gegriefd”. Zei de redactie. Ach gutteguttegut toch.

Niet fraai van zo’n tijdschrift: missers in de beoordelingsrapporten, loze beloftes en – vooral – kwezelachtige bangheid voor academische discussie. Wat stond er dan in onze repliek? Lees zelf maar.

Geplaatst in Wetenschap & Maatschappij | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Een top- of flopartikeltje schrijven

Baanbrekend en innovatief onderzoek lijkt samen te hangen met sjoemelarij. Althans: die indruk krijg je als je naar de psychologie kijkt. Die wordt namelijk opgeschrikt door casuïstiek over frauderende psychologen. Ze vonden innovatieve resultaten. Ze pleegden echter ook fraude. We kennen ze onderhand wel. Stapel en Smeesters bijvoorbeeld. Er zijn er helaas nog meer.

We weten dat de meeste fouten in psychologisch onderzoek waarschijnlijk niet doelbewust zijn gemaakt. Gelukkig maar. Die fouten vallen onder de vele vrijheidsgraden die een wetenschapper heeft tijdens het analyseren, interpreteren en het opschrijven van resultaten. Wetenschappers komen ze vaak genoeg tegen. Een proefpersoontje hier en daar bij testen, niet-significante resultaten niet publiceren, tussendoor effe al wat analyses draaien. Mocht je het nog niet weten: echt waar. Ze kunnen de kans op toevalsbevindingen aardig vergroten. Wat we nog niet weten is of toptijdschriften vooral topartikelen of flopartikelen bevatten.

Een toptijdschrift in de psychologie is Psychological Science. Het tijdschrift over zichzelf: “the flagship journal of the Association for Psychological Science, is the highest ranked empirical journal in psychology and is truly a leader in the field”. Dat is duidelijke taal. Het is het tijdschrift waarover het gerucht de ronde doet dat het alleen “sexy research” publiceert. Je weet wel, onderzoek dat laat zien dat bijgeloof positief samenhangt met uitstekende cognitieve en lichamelijke prestaties. Of dat onethisch gedrag creativiteit in de hand werkt. Innovatief en sexy. Het klinkt onwaarschijnlijk, maar bewijs ervoor schijnt ervoor geleverd te zijn.

Er is nog nooit onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van al die sexy artikelen. De Amerikaanse onderzoeker Gregory Francis onderzocht een grote set van artikelen die tussen 2009 en 2012 in Psychological Science was gepubliceerd. Hij keek vooral naar de resultaten van die artikelen en de statistiek daarachter. Van de artikelen die hij kon analyseren vond hij dat maar liefst 82% (n = 36) ernstige fouten bevatten. Flopartikelen dus. Het komt overeen met het onderbuikgevoel dat veel onderzoekers al hadden over het tijdschrift. Een soort “to-good-to-be-true” gevoel.

Wat nu? Geen artikelen meer sturen naar dit tijdschrift? Misschien moeten we nieuw leven blazen in tijdschriften die nooit een hele goeie reputatie hebben gekend. Tijdschriften als Psychological Reports en Perceptual and Motor Skills. Dat zijn tijdschriften waarover geruchten de ronde doen dat negatieve bevindingen daar wel gepubliceerd konden worden. Gregory Francis zou eens artikelen van die tijdschriften onder de loep moeten nemen. Het zou zomaar eens kunnen zijn dat daar veel top- in plaats van flopartikelen zijn gepubliceerd.

Geplaatst in Uncategorized, Wetenschap & Maatschappij | Een reactie plaatsen

Kristien Hemmerechts komt

Odette heet de hoofdpersoon in Kristien Hemmerechts’ nieuwe roman “De vrouw die de honden eten gaf”. Iedereen snapt dat met Odette de ex-vrouw van Marc Dutroux wordt bedoeld. In Hemmerechts’ roman wordt ze geportretteerd als een afhankelijke vrouw, die door Dutroux in het moeras van geweld en brutaliteit werd getrokken. Eigenlijk ook een slachtoffer dus. Maar hoe accuraat is dat portret? En kan het wel de bedoeling zijn om een justitieel dossier te fictionaliseren? Is dat niet de zaken complexer maken dan ze zijn?
Daarover praten we met de schrijfster.

Wanneer? Zaterdag 22 maart
Hoe laat? 20.00 uur
Waar? Pesthuys

Entree studenten: 5 euro (plus consumptie)

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Tunnel vision in German investigation: A possible miscarriage of justice

On 7 May 2001, in the small town of Lichtenberg, 9-year old Peggy goes missing. Initially, the investigation leads nowhere, but then 24 -year-old Ulvi – who originates from the same village as Peggy – arouses suspicion. Ever since he suffered from meningitis as a toddler, Ulvi is handicapped. He has the mental capacities of a 10-year old.

In the village, it is a known fact that Ulvi repeatedly exposed himself in front of children and prompted them to touch him. Ulvi becomes the prime suspect, and the police interrogators confront him with the finding of Peggy’s blood on his clothes. During this interrogation – we are now in July 2002 – he confesses. In April 2003 he was sentenced to life imprisonment, along with an order to psychiatric treatment. Case closed.

Or is it? Ulvi soon retracts his confession and asserts his innocence. In fact, his alibi is gapless and the details regarding the course of events cannot be confirmed. For example, Peggy’s body is not found at the location Ulvi describes. In addition, Ulvi changes his statement in every hearing: once he names his father as the one who allegedly helped him remove the body, another time he mentions his best friend as accomplice. And the blood on his clothes? A feigned detail to make him confess.

This raises questions as to why the investigators and court did not become suspicious, for example when the confession contained no crime knowledge.  Or when Ulvi’s alibi checked out.  It seems that all cues and leads were interpreted in a way that they matched a previously established hypothesis, namely that Ulvi is the perpetrator. It would not be the first time that crime investigations were largely controlled by wishful thinking, rather than facts. Psychologists speak of tunnel vision, and similar cases are known in Germany, the Netherlands, Belgium, and the UK. Whether or not Ulvi is innocent, we don’t know. But there are good reasons to put this case to the acid test. The good news is, in December 2013 the proceedings before the District Court of Bayreuth were resumed, and the trial is scheduled to start in April 2014. Hopefully the new judges will have an unclouded view.

This blog was originally published in German at de.in-mind.org.

Update (14-5-2014): Ulvi K. acquitted.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Interview met journalist Douglas De Coninck over de zaak-Gottschalk III

Deel 1                                                                                                                                             Deel 2

Is – nu uw boek is verschenen – een herziening van de zaak Gottschalk mogelijk?
Nee, ons rechtssysteem kent een verdict van een volksjury, twaalf gewone burgers, een soort pauselijke autoriteit toe. Daar is in België geen enkele vorm van beroep tegen mogelijk, tenzij op grond van vormfouten. Die zijn er in deze zaak niet.

Zijn er – denkt u – meer van zulke zaken in België?
Vast en zeker. In zijn boek Overtuigend Bewijs maakte hoogleraar Peter van Koppen enkele jaren geleden een sublieme analyse van de zogeheten parachutemoord, waar de jonge Els Clottemans louter op basis van veronderstellingen en zonder ook maar een begin van bewijs werd veroordeeld tot 30 jaar gevangenisstraf. Zij krijgt vandaag hetzelfde te horen als de broers: ‘Beken, heb berouw, en dan laten we je over enkele jaren vervroegd vrij.’ Van seriedoder Ronald Janssen wordt nu aangenomen dat die begin jaren negentig is weggekomen met zijn eerste moord omdat justitie in Leuven er een student voor heeft doen veroordelen door een volksjury. De jongen kreeg tien jaar voor een verkrachting en lustmoord – wat ongezien goedkoop is – en kreeg nadien te horen dat als hij voldoende blijk van spijt en schuldinzicht snel weer vrij zou komen. Hij moest ook beloven nooit met de pers of in het openbaar te praten over de zaak. En zo is het gegaan. Alle objectieve redenen zijn aanwezig om zo’n zaak te herbekijken, al was het maar in het algemeen belang. Het gebeurt niet.

Zou het geen idee zijn als een Belgische universiteit een project Gerede Twijfel start? Of zijn wetenschappers bang dat ze slaags raken met het justitiële apparaat?
Sinds DNA-profilering in de jaren negentig in de VS tal van veroordeelden voor verkrachting vrijpleitte of het drama’s rond de Britse Guildford Four en de Maguire Seven is justitie in heel veel landen voor de spiegel gaan staan. Bijna overal is men tot de consensus gekomen dat er niks schandelijks is aan ‘leren uit je fouten’, integendeel zelfs. Haast overal zijn er herzieningscommissies of versoepelde procedures tot herziening gekomen. In één land niet. Het mijne. Daarom ben ik op deze zaak gesprongen. Werkelijk alles zit er ook in: foltering in de verhoorkamer, valse bekentenissen, forensische hypnose, een volksjury waar het openbaar ministerie via wraking alle mogelijk intelligente mensen heeft geweerd en vervangen door poetsvrouwen en werklozen.
Ik ben sinds het verschijnen van mijn boek nog niemand tegengekomen die begint over rook of vuur. Al wie het leest, erkent dat hier door een samenloop van op zich vrij onschuldige omstandigheden een gruwelijke vergissing is begaan. Iedereen weet en beseft ook dat er geen reden is om aan te nemen dat België immuun zou zijn voor justitiële dwalingen. Ik weet dus niet echt waar ze zitten, de tegenstanders van een project Gerede Twijfel of een commissie voor herzieningen van afgesloten strafzaken. Men kijkt gewoon de andere kant op. We stevenen op belangrijke verkiezingen af en elke politicus heeft zoals altijd iets urgenters op de agenda staan dan dit.
Ik ben een vooruitgangsoptimist. Al zo lang ik leef, gaat de beschaving door met beschaven. Een instantie die dwalingen als deze rechtzet komt er ooit wel. Komt het niet door de zaak-Gottschalk, dan door een volgend drama. Als het boek hier en daar wat geesten heeft doen rijpen, is het een zinnige onderneming geweest.

Dank voor dit interview meneer De Coninck

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Interview met journalist Douglas De Coninck over de zaak-Gottschalk II

Deel 1

Hoe zijn de verhoren van Petit verlopen?
Zijn verhoren vonden ‘s nachts plaats, duurden vier tot vijf uur lang en eindigden in de politierapporten steevast met hetzelfde zinnetje: ‘Ik wens geen bezoek van een arts.’ Een verhoor houdt in dat de verdachte aan de ene kant van de tafel zit en zijn ondervragers aan de andere. Het hoort niet zo gek anders te verlopen dan bij een mondeling examen of een sollicitatie. De vermelding dat Petit geen bezoek wenst van een arts is niet minder absurd dan als er zou staan dat hij geen nood heeft aan een brillenverkoper of een circusacrobaat. Het lijkt mij duidelijk dat de jongen, twintig pas op dat ogenblik, onder zware druk is gezet. Een andere getuige in deze zaak zegt dat ze met een asbak op z’n hoofd hebben geslagen en er een pistool op hem is gericht. Volgens het lokale geruchtencircuit is het ongeval veroorzaakt doordat Welsch achterna werd gezeten door Petit, in zijn auto. Ik neem dus aan dat Petit bij het ongeval betrokken was, zich best wel schuldig voelde, maar tijdens die nachtelijke verhoren een godsgeschenk uit de hemel zag vallen: ‘Wie waren die twee andere mannen?’ De aanname dat er ‘drie mannen’ waren gaat uitsluitend terug op de sofroloog.
Petit was destijds de buurjongen van Francis en Marco. Ze zaten in een erg marginaal milieu, in Borgworm. Alle actoren in dit verhaal zaten bij wijze van spreken dag in dag uit stomdronken in hetzelfde café, hun werkloosheidsuitkeringen te verspelen op de bingomachine. Kort voor het ongeval had Petit een dispuut met Marco over een gestolen briefje van vijfduizend frank. Ik ga ervan uit dat toen de politiemensen hem nacht na nacht onder druk bleven zetten, Petit op een gegeven moment heeft gedacht: ‘Dan grijp ik maar deze reddingsboei.’ En wat doen de broers, eens ze van de politie te horen krijgen waarvan Petit hen beticht? Ze wijzen in het bijzijn van de speurders met hun vingers naar Petit en roepen: ‘We maken je kapot.’ Dat is nu eenmaal hoe mensen in hun milieu reageren als iemand hen vals beschuldigt. In de ogen van de politie werd het zo natuurlijk een helder plaatje.
De broers hebben tot twee dagen voor het proces elke assistentie van een advocaat geweigerd. Zo koppig als ze vandaag zijn, zo waren ze dat ook toen al: ‘Als je onschuldig bent, heb je toch geen nood aan een advocaat?’ Dat is wat ze vandaag nog altijd zeggen. Waarom geld uitgeven aan een advocaat als je niks gedaan hebt?

U bent er nogal stellig over dat de zaak Gottschalk een justitiële dwaling van jewelste is. Dat heeft te maken met een alibi dat opdook in deze zaak. Kunt u iets over dat alibi zeggen?
De broers speelden in een voetbalploeg, ze hadden training op donderdagavond. Het ongeval vond plaats op donderdag 3 september 1992, iets voor negenen ‘s avonds. Pas in 1999 zijn de eerste pogingen ondernomen om iets terug te vinden over de tijdsbesteding van de broers. De vraag was: waren zij ja of nee aanwezig op training? De enige bron van informatie was het scheidsrechtersblad van de volgende wedstrijd, op zondag. Binnen de club gold de vrij strikte regel dat alleen wie was komen trainen op zondag mocht meedoen in de wedstrijd. Het was de eerste wedstrijd van het nieuwe seizoen, je mag dus aannemen dat er weinig speling zat op die regel en er meer dan elf kandidaat-spelers waren. De naam van Marco staat op het wedstrijdblad. Nadien, na de uitzending van Au Nom de la Loi, hebben zich ook getuigen gemeld. Mensen van binnen de club, die konden beamen dat de broers op training aanwezig waren. Het viel allemaal makkelijk te reconstrueren, want de broer van het slachtoffer was de centrale verdediger van het team. Voor de aftrap was voor hem een minuut stilte gehouden. Op voorstel van Francis heeft de ploeg samen gelegd voor een rouwkrans. Wat mij trof, is dat tijdens een acht jaar durend strafonderzoek geen enkele van de spelers of de supporters van de ploeg ooit is ondervraagd. Ik was de eerste, ruim twintig jaar na datum, om hen te vragen wat ze zich herinnerden van die ene wedstrijd.
Het alibi is voor mij een bijkomstigheid. Een alibi is relevant in geval van moord. Wat ik in het boek denk te hebben aangetoond is dat hier nooit een moord is gepleegd. Dat is wat de rijkswacht in Luik ervan heeft gemaakt, opgejaagd als ze eind jaren negentig was door de zaak-Dutroux en het credo dat men veel meer naar ‘de’ slachtoffers moest leren luisteren. De door het Luikse openbaar ministerie aangestelde wetsdokter Paul Dodinval, die het lichaam van de overleden Sébastien Welsch onderzocht, heeft op de meest formele wijze uitgesloten dat het is overreden of zelfs aangeraakt door een auto. Deze man onderzocht wekelijks lichamen van verkeersslachtoffers. Ik heb meer vertrouwen in zijn wetenschappelijke merites dan in die van een sofroloog. De broers zijn schuldig bevonden aan het moedwillig in achteruit zetten van de auto en het vermorzelen van het lichaam van Sénastien Welsch. Zo staat het woordelijk in de aanklacht. Maar de wetsdokter herhaalt in al zijn rapporten altijd weer dat niets van die strekking kan zijn gebeurd. Niet zo van ‘ik heb mijn twijfels.’ Nee, hij zegt: ‘On-mo-ge-lijk.’ De eveneens door het openbaar ministerie verkeersdeskundige, die de twee brommertjes onderzocht, sluit op de meest formele wijze uit dat er ooit enig contact is geweest met een auto. Niet door een van de jongens van de weg af te wippen, niet door er daarna overheen te rijden. Ook hij zegt: ‘Uitgesloten.’ Wat we hier hebben, zijn twee wetenschappers van wie de bevindingen in de rechtszaal zijn overruled door de pseudowetenschap.

Deel 3

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Interview met journalist Douglas De Coninck over de zaak-Gottschalk I

Douglas De Coninck werkt als onderzoeksjournalist bij De Morgen en geldt als kenner van het Belgische justitiële bedrijf. Onlangs publiceerde hij een boek over de gebroeders Gottschalk: 14 jaar onschuldig in een Belgische gevangenis: De gebroeders Gottschalk.

De Conincks boek geeft een minutieuze reconstructie van een opmerkelijke zaak, waarin Francis and Marco Gottschalk tot lange gevangenisstraffen werden veroordeeld wegens moord. De zaak in een notendop: in september 1992 reden Sebastien Welsch en Stephen Lespineux op hun brommertjes, ergens in de buurt van Awans (Luik). Ze kwamen ten val. Welsch overleed, Lespineux overleefde, maar raakte in coma. Later, toen hij uit de coma kwam, nam zijn moeder hem mee naar een hypnotiseur. Onder hypnose verklaarde Lespineux dat zij op de fatale avond werden aangereden door een auto waarin drie mannen zaten. De politie vermoedde dat een van de mannen ene Petit was, die vervolgens werd verhoord. Tijdens de verhoren verklaarde Petit dat de gebroeders Gottschalk in de auto hadden gezeten. In 2000 zaten ze gedrieën in de beklaagdenbank. Marco Gottschalk werd tot 20 jaar gevangenisstraf veroordeeld, Francis tot 15 jaar en Petit tot 5 jaar. De Gottschalks weigeren spijt te betuigen, reden waarom ze tot op de huidige dag vastzitten in de gevangenis van Namen.

Meneer De Coninck, hoe kwam u de zaak op het spoor?
Heel toevallig, in de marge van een babbel met een bevriende advocate. Zij was aangeschreven door Francis Gottschalk, de oudste broer. Hij vult zijn dagen al ruim veertien jaar met het aanschrijven van advocaten. Hij kreeg van elke Belgische advocaat, ook nu weer, hetzelfde advies: druk bij de psycho-sociale dienst van de gevangenis je spijt uit, geef blijk van schuldinzicht over de moord die je niet hebt gepleegd en stort een symbolische euro op de rekening van een van de nabestaanden. Of schrijf een pathetische, berouwvolle brief naar de koningin en smeek om gratie. Maar de broers weigeren en in die omstandigheden, zei de advocate me, ‘kan ik niks voor hen doen’.
Dat vond ik een intrigerend uitgangspunt. Ik schreef hen zelf, vroeg het oude strafdossier op en ging praten met mensen die vroeger al op de zaak hadden gezeten: journalisten, advocaten, magistraten. Wat me trof, was dat vrijwel iedereen het er over eens wat dat hier een justitiële dwaling is begaan. Dat iedereen het wel wist, maar niemand enige behoefte voelde om er wat aan te doen. De zaak is in 2001 al eens onder de aandacht gebracht in een documentaire in Au Nom de la Loi, op de Franstalige televisie. Dat was een jaar na het proces. Het verschil tussen toen en nu is dat de broers toen nog vochten voor hun vrijheid. Vandaag is vrijheid geen issue meer. Ze zijn vergroeid met de gevangenis, waar ze door de directie worden ingeschakeld voor klussen waarbij ze zo zouden kunnen gaan lopen. Maar dat doen ze niet. Francis komt vrij in oktober van dit jaar, hij zal zijn volle vijftien jaar hebben uit gezeten. Francis had al sinds 2004 vervroegd kunnen vrijkomen, als hij blijk had gegeven van spijt en schuldinzicht, Marco sinds 2006. De vrijheid op zich interesseert hen niet langer, het gaat hen nu enkel nog om hun eer. Ze willen, zoals het zelf benoemen, ‘verontschuldigd’ worden.

Hypnose speelt een cruciale rol in deze zaak. Wie was de hypnotiseur en is de kwestie tijdens het proces kritisch onder de loep genomen?
Het was niet echt een hypnotiseur. De man, Jean Van Rymenam, was een kinesitherapeut op leeftijd met een grote belangstelling voor new age. Hij was een aanhanger van Alfonso Caycedo, een Colombiaanse chirurg en neuroloog. Die ontwikkelde een eigen relaxatietechniek, de Caycediaanse Sofrologie. Dat is naar men mij zegt een goed werkende therapie tegen prestatiestress. Caycedo was een hevig tegenstander van forensische hypnose. Volgens Michel Debelle, de directeur van de Academie van de Caycediaanse Sofrologie België-Luxemburg, zou Caycedo nooit hebben aanvaard dat een van zijn volgelingen zijn techniek zou hebben toegepast om in een rechtszaak verdwenen herinneringen ‘terug te halen’, zoals deze Van Rymenam.
Ik heb Michel Debelle gevraagd de transcriptie van het verhoor van die ene jongen na te lezen. Daarin zie je hoe de sofroloog zijn patiënt op een gegeven moment verwijt niet mee te werken. Hij roept dan: ‘Zie je die auto met de brandende lichten?!’ Tot op dat punt was nergens in het onderzoek sprake van een auto. Het is erg suggestief allemaal en gaandeweg zie je dat de jongen de sofroloog en zijn moeder, mee aanwezig tijdens deze sessies, tracht te behagen. Hij komt opeens met ‘drie mannen’, maar andere details – zoals de kleur en het kenteken van de auto – stroken dan weer totaal niet met de rechterlijke waarheid zoals ze zal worden neergeschreven. Hij ziet een rode auto, die van Petit is blauw. Stephen Lespineux heeft achteraf altijd gezegd dat hij enkel bij de sofroloog iets heeft ‘gezien’. De herinnering zijn daar heel even ‘teruggekeerd’ en vervolgens weer vervlogen.
Dat het verhoor bij de sofroloog suggestief is verlopen kon ik zelf ook vaststellen. Toch werd dokter Michel Debelle voor mij de belangrijkste getuige in het hele boek. Zijn vinger bleef hangen bij één alinea waarin Lespineux beschrijft dat hij tijdens het ongeval ‘over mijn brommer schuift’. Op dit punt werd dokter Debelle boos. De jongen, weten we, had drie dagen in coma gelegen. Hij had retrograde amnesie, zoals heel veel overlevenden van verkeersongevallen. Onze hersenen, zo begrijp ik, beschermen ons tegen al te traumatische herinneringen door ze af te grendelen. Daarom herinneren mensen zich van een ernstig ongeval heel weinig. Iemand zo’n trauma onder hypnose laten herbeleven is volgens dokter Debelle en andere experten met wie ik er achteraf over sprak uitgesloten en ook al niet zonder risico. Als de jongen bij de sofroloog zegt dat hij zichzelf door de lucht zag vliegen, bevestigt dit enkel het aanvoelen dat hij dit allemaal, wellicht met goede bedoelingen, heeft gefantaseerd.
In België is men in 2007 gestopt met forensische hypnose, nadat de leider van hypnoseteam van de federale politie werd veroordeeld voor meervoudige verkrachting van onder hypnose gebrachte patiënten. Zoals in de meeste ons omringende landen is men het erover eens dat hypnose in een strafonderzoek helemaal niets bijbrengt en enkel het risico op justitiële dwalingen verhoogt. Maar daar kopen Francis en Marco natuurlijk weinig mee.

Deel 2

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Kiekjes en filmpjes maken

We doen er allemaal aan mee. Met de mobiele telefoon of camera momenten vastleggen. Een foto hier, een videootje daar. Met een druk op de knop kun je in een fractie van een seconde memorabele gebeurtenissen registreren. Van de euforische momenten tijdens de Olympische Spelen tot het pijnlijke debat van minister Plasterk. Maar doen we er wel verstandig aan om alles zo nauwkeurig vast te leggen?

De Amerikaanse geheugenpsycholoog Linda Henkel onderzocht welke invloed het maken van foto’s heeft op het geheugen. Proefpersonen maakten aan de lopende band kiekjes tijdens een museumbezoek. Later werden ze bevraagd over dat bezoek. Wat bleek? Het fotograferen van schilderijen, meubels en andere fraaie dingen had als onverwacht neveneffect dat een dag later herinneringen aan die objecten maar moeilijk konden worden opgehaald. Het laat toch allemaal zien dat er een keerzijde zit aan het maken van foto’s.

In één sector worden er minder vaak opnames gemaakt dan wenselijk zou zijn . Ik bedoel de verhoorkamer. Het is nog steeds niet het geval dat interviews met verdachten en getuigen standaard worden opgenomen. Dat is een slechte zaak. De Amerikaanse onderzoeker Saul Kassin en zijn collega’s lieten politie-agenten een verdachtenverhoor afnemen met of zonder video-opname. Agenten gingen zich minder vaak te buiten aan beroerde interviewtactieken wanneer er een camera in de buurt was. Hoogste tijd dat de politiebazen notie nemen van dit onderzoek.

Wat zou er gebeuren als politieke beschouwingen niet langer openbaar zijn en niet meer worden vastgelegd? Mijn voorspelling is dat politici vaker over de schreef gaan als er geen camera’s aanwezig zijn. Minister Plasterk is trouwens wel de uitzondering hierop.

 

 

 

Geplaatst in Wetenschap & Maatschappij | 1 reactie